Collatierecht Uitwijk, procedure rechtbank


Zitting van den 23 junij 1845
President Mr. A Bogaers.
Regt van Collatie
De Gereformeerde gemeente te Uitwijk en Waardhuizen, provincie Noord-Braband, vertegenwoordigd door den kerkeraad dier gemeente, ten deze behoorlijk geauthoriseerd door het Provinciaal collegie van toezigt op de kerkelijke administratie der Hervormden in Noord-Braband, eischeresse optredende bij den procureur ????
tegen
vrouwe C.C. Crooswijk, weduwe van den heer W. van Wageningen, wonende aan de Zalmhaven te Rotterdam, ambachtsvrouw van Uitwijk, gedaagdesse, comparerende bij den procureur J.J. Scheffer.
Mr. H.J.J. van Convert ten Oever, als procureur voor de eischeresse, concludeert:
Aangezien de inwoners en gemeene naburen van Uitwijk en Waardhuizen van de heeren staten van Holland en West-Vriesland, hij Hun Edel Groot Mogendes Resolutie van den 10 Juli 1606, het regt hebben bekomen, om eenen kerkedienaar voor zich te beroepen;
A. de ambachtsheer van Uitwijk geruimen tijd daarna goedgevonden heeft te beweren, dat hem het regt tot die benoeming toekwam;
A. deswege processen gevoerd zijn voor den Hove van Holland, welke bepaald tot geen resultaat geleid hebben; blijvende intusschen de kerkeraad der Hervormde gemeente van Uitwijk en Waardhuizen een vrij en onafhankelijk beroep oefenen, niettegenstaande de protestatiën van den ambachtsheer;
A. vervolgens de procedures tegen de gemeente, ter vermelde zake geëntameerd door vrouwe J.J. Du Bois, weduwe van R. Eelbo, niet ten petitoire zijn uitgemaakt, maar hare erfgenamen zich gesteld hebbende impetranten van mandement van maintenue, de Hooge Raad in Holland bij provisionele senientie van den 28 Mei 1746, de verzochte recredentie aan dezelve eischers geadjudiceerd heeft;
A. de ambachtsheer van Uitwijk vervolgens steeds uit krachte dier toewijzing van provisioneel bezit of quasi de beroeping van den predikant zich heeft aangetrokken;
A. alzoo bij de opgevolgde nominatiën de quaestie van het eigendom des regts expresselijk tusschen partijen in haar geheel gebleven is, hebbende de kerkeraad alleen ten dien regarde het effect dier benoemingen, waarvan de laatste in den jare 1790 had plaats gehad, in regten onbetwist gelaten;
A. nu weder laatstelijk, na het ontstaan eener vacature.' de tegenwoordige ambachtsvrouwe, ged. in deze, goedgevonden heeft, in dato 1 Julij 1843, eene acte van aanstelling en benoeming uit te brengen op den WelEerw. heer J.W. La Lau, candidaat bij het provinciaal kerkbestuur van Zeeland;
A. de gemeente met die keuze niet tevreden is, zijnde daarvan aan de ged. gebleken bij acte van protest dato 6 September 1843, behoorlijk geregistreerd, en de kerkeraad het bovendien voor het uitwendig en inwendig belang der gemeente pligtmatig oordeelt, het vrij en onafhankelijk beroep conform deszelfs regt te erlangen en zich te verzekeren;
A. de gezegde benoeming, op tusschenspraak en verzoek des kerkeraads, zonder approbatie des Konings gebleven is en de gemeemte als nu belang heeft de vraag, aan wien het regt toekomt een en predikant voor de hervormde gemeente van Uitwijk en Waardhuizen te beroepen, naar het voorschrift van art. 8 van het besluit van den Souvereinen Vorst, dato 26 Maart 1814 (Staatsblad no. 46), door den burgerlijken regter ten eigenen behoeve te doen beslissen;
A. het regt van beroeping van predikanten naar de wet in den regel toekomt aan de gemeente en slechts, voor het geval er andere voormalige eigenaren van dat regt aanwezig waren, hetzelve aan die eigenaren is toegekend bij het voormelde besluit van den Souvereinen Vorst, art. 5, behoudens de aldaar gemaakte restricties;
A. de ged. wel in gebreke blijven zal het bewijs te leveren, dat aan haar of hare voorgangers in de ambachtsheerlijkheid het bedoelde regt in eigendom toekwam;
A. hier nog ten overvloede wordt medegedeeld een behoorlijk geregistreerd extract uit de resolutiën van de heeren Staten van Holland en West-Vriesland, dato 10 Julij 1606, waarvan het origineel berust in 's Rijks archief te 's Gravenhage, en waaruit, in directen strijd met de beweringen der ged. blijkt, dat door Hun Edel Groot Mogenden, na ingewonnen berigt omtrent den staat van het inkomen der pastorie-goederen, aan de inwoners en gemeene naburen van Uitwijk en Waardhuizen het beroep van een kerkedienaar geaccordeerd is;
A. de ged. zich alzoo op geen voormalig eigendom beroepen en daarvan bewijs leveren kan, maar integendeel blijkt, dat het regt oorspronkelijk aan en ten behoeve van de gemeente zelve verleend is;
A. mitsdien aan de eischeresse, ten petitoire agerende, het regt moet worden toegekend en het genot terug gegeven, en aan de ged. in hetzelve cas, dat regt moet worden ontzegd en het genot ontnomen;
En secundo subsidiair, voor het geval zelfs de ged. zich op voormalig eigendom van het regt van beroeping, als aan den ambachtsheer van Uitwijk behoord hebbende, met reden mogt kunnen beroepen (des neen);
A. art. 5 van het meergemelde besluit van 26 Maart 1814, het regt van beroeping onbepaald aan de voormalige eigenaren van het hetzelve toekent, daar waar de predikanten uit de kerkelijke fondsen, zonder subsidie van de lands-kas, kunnen bezoldigd worden, terwijl in de gemeente, waar voorschreven subsidiën plaats hebben, door de gemeente of kerkeraden een dubbeltal geformeerd en de electie door den voormaligen geregtigde zal gedaan worden;
A. die wetsbepaling bij besluit van den 28 Sept. 1814, Staatsblad no. 102, in werking gebragt is;
A. alzoo dit punt van wetgeving door de souvereine magt hier te lande geregeld was en sedert door dezelve op geene wettige wijze in het alzoo toegekende eigendoms-regt verandering gebragt is;
A. wel is waar het volkomen regt van collatie aan de voormalige eigenaars is toegekend, bij een besluit van den Souvereinen Vorst dato 1 Febr. 1815, Staatsblad no. 10, maar aan gezegd besluit geene wettelijk verbindende kracht tot wijziging der vastgestelde wetgeving kan worden toegeschreven, daar hetzelve, in strijd met de bepaling van art. 32 der Grondwet van 1814, niet vooraf bij den Raad van State in overweging gebragt en dus ongrondwettig is;
A. dus in casu, daar aan de gemeente van Uitwijk en Waardhuizen een subsidie uit 's Rijks kas gegeven wordt, aan de ged., zelfs in de hier aangenomen onderstelling, niets meer zoude toekomen dan het regt om een en predikant te verkiezen uit een dubbeltal, door den kerkeraad geformeerd en aangeboden;
Dat bij vonnis dezer regtbank in het eerste ressort zal worden verklaard, dat aan de ged. in hare betrekking van ambachtsvrouw van Uitwijk geenszins het regt toekomt, om eenen predikant voor de gemeente van Uitwijk en Waardhuizen te benoemen en dat de door haar gedane benoeming mitsdien zal verklaard worden te zijn nietig en van onwaarde, immers dat dezelve geen verder effect zal sorteren;
Dat ???????????????????????????????? raad haar vertegenwoordigende, te worden geoefend overeenkomstig de voorschriften der wet;
Subsidiair. – Dat immers in allen gevalle de ged. in hare gezegde betrekking zal verklaard worden tot de verkiezing en benoeming niet verder of anders te zijn bevoegd, dan uit een dubbeltal, daartoe door den kerkeraad geformeerd en aangeboden, tot welke formatie en aanbieding de eischeresse, voor het geval dier uitspraak des regters, zich bereid verklaart, en mitsdien altoos de door de ged. uitgebragte keuze en benoeming zal verklaard worden onregelmatig en onwettig en bij gevolg nietig en van onwaarde;
Alles met veroordeeling der ged. in de kosten dezer procedure.

De ged. doet hierop voor antwoord het volgende zeggen:
Dat de kerkeraad der Hervormde gemeente Van Uitwijk en Waardhuizen, autorisatie verkregen hebbende van het Prov. Collegie van Toezigt op de kerkelijke administratie der Hervormden in N.-Braband, om proces te voeren, en van deze regtbank autorisatie verkregen hebbende om zulks kosteloos te doen, had behooren te ageren zoo als dezelve was geautoriseerd;
Dat hier evenwel gedagvaard is geworden uit naam van de Gereformeerde gemeente van Uitwijk en Waardhuizen, vertegenwoordigd door den kerkeraad;
Doch dat er geene Gereformeerde gemeente van Uitwijk en Waardhuizen is geautoriseerd; dat zoodanig eene gemeente ook niet kan procederen, als geene corporatie daarstellende en ook niet procederen kan, vertegenwoordigd door den kerkeraad, daar het niet geoorloofd is door een ander persoon te procederen,
Dat de ged. belang heeft bij deze opmerking, omdat de eischende partij zoo als deze ageert, niet vatbaar is voor condemnatiën noch executiën, als uit onbekende individu's bestaande, waarvan het tegendeel plaats vindt, indien uit naam van den kerkeraad voor de Hervormde gemeente gedagvaard wordt, welke alleen geautoriseerd is;
Dat de ged. alzoo meent dat de dagvaarding namens eene Gereformeerde gemeente van Uitwijk en Waardhuizen nietig moet verklaard worden, althans de partij die ageert niet-ontvankelijk is.
Waartoe de ged. verpligt is te concluderen, zich nogtans aan den regter refererende, indien deze daartoe gronden aanwezig oordeelt, de verbetering der onregelmatigheid ten koste van de aanleggers te bevelen, door verklaring, dat het de kerkenraad is die procedeert;
En voor het geval dat hier de corporatie van den kerkeraad der Hervormde gemeente en niet de Gereformeerde gemeente, vertegenwoordigd door den kerkeraad, geacht moet worden ten deze eischende partij in het geding te zijn, antwoordende op den gedanen eisch, doet de ged. zeggen:
Dat het in confesso is, dat Uitwijk, waaronder Waardhuizen begrepen is, eene ambachtsheerlijkheid is en dat de ged. als ambachtsvrouw, de collatie aan den candidaat bij het Provinciaal kerkbestuur van Zeeland J.W. La Lau heeft uitgereikt;
Dat het almede in confesso is, dat alle der ged. voorgangers het jus patronatus op gelijke wijze hebben uitgeoefend, terwijl de kerkeraad van Uitwijk niet zal kunnen tegenspreken, dat het jus patronatus zoo wel vóór als na de reformatie in de ambachtsheerlijke regten begrepen is geweest en door de ambachtsheeren alzoo sedert onheugelijke tijden is uitgeoefend geworden,
Dat het almede in consesso is, dat de kerkeraad van Uitwijk en Waardhuizen nimmer een vrij beroep heeft kunnen doen, noch met effect gedaan heeft;
Dat eene resolutie van de Staten van Holland en West-Vriesland van 10 Julij 1606, waarvan de eischers zich willen bedienen, waarbij geaccordeerd was een kerkendienaar tot Uitwijk te mogen beroepen, die getracteerd zou worden voor de bediening van beide de plaatsen, het ambachtsheerlijk regt niet heeft kunnen krenken en ook niet gekrenkt heeft, daar het jus patronaus steeds uitgeoefend is gebleven;
Dat het door de eischers zelve erkend wordt, dat toen een kerkeraad van Uitwijk (bijkans 1 1/2 eeuw na 1606) de bezitters der ambachtsheerlijkheid eens in hun regt heeft willen storen en zich een pretens regt van vrij beroep heeft aangematigd, de Hooge Raad de bezitters der ambachtsheerlijkheid in het bezit van het jus patronatus heeft gemaintineerd, hebbende de toenmalige Hooge Raad bij de door de eischers in het proces gebragte sententie, de daad van den kerkeraad verklaard te zijn eene notoire turbatie, ten gevolge waarvan het door den kerkeraad gedaan beroep werd vernietigd en dezelve verboden zulks weder te doen;
Dat het almede blijkt in confesso te zijn, dat het mandament van maintenue aan den kerkeraad is beteekend geworden en geëxecuteerd, ten gevolge waarvan de toenmalige kerkeraad haar gedaan beroep van 't jaar 1745 heeft ingetrokken;
Dat het almede tusschen partijen bekend, onbetwistbaar en in confesso is, dat het collatie-regt sedert dien tijd ongestoord uitgeoefend is gebleven, en dat den 2 April 1777, den 28 Junij 1779, den 3 Junij 1780, den 17 Mei 1784, den 9 Dec. 1788, den 14 Sept. 1789, collatiën aan opvolgende predikanten zijn uitgereikt geworden en dat er sedert den 14 sept. 1789 geene vacature heeft plaats gehad, zijnde de toen in dienst gekomen Dienaar des H. Woords tot dezen tijd in functie gebleven, sommerende de ged. de eischende partij wel expresselijk zulks te ontkennen of te erkennen;
Dat het regt der volstrekte collatie, altoos bij het ambachtsheerlijk regt uitgeoefend, steeds daarmede is overgegaan en het haar ged. alzoo toekomt, even als het altoos is gepossedeerd geweest;
Dat de eischers dus niets bewijzen tegen het regt der vrije collatie en niet kunnen aantoonen, dat de kerkeraad te Uitwijk ooit een vrij beroep heeft gehad, welke alzoo ook nu geen regt zal kunnen verkrijgen 't welk nimmer hij haar is verkregen of bezeten geweest, zoodat de conclusie, om te doen verklaren, dat aan den kerkeraad het regt der benoeming toekomt, door niets is gejustificeerd;
Dat het collatie-regt door haar ged. op eene regtmatige wijze is uitgeoefend geworden, zoodanig als de heerlijke regten en het daartoe behoorende jus patronatus, volgens de besluiten van 26 Maart 1814 en 1 Febr. 1815, zijn gehandhaafd en gerestaureerd geworden;
Dat zij met de eischers noch over de heerlijke regten in het algemeen, noch over deze besluiten, te twisten heeft, want dat dezelve sedert al dien tijd in observantie zijn en zij zich te dien aanzien gerustelijk refereren kan tot de uitspraak der regterlijke magt;
Dat zij in de uitoefening van haar regt van collatie alle vriendelijke poging aangewend heeft, om naar 't behagen van den kerkeraad te kiezen, doch dat de onwil van deze alle minnelijke bedoeling te leur stelt, en dat zij overigens haar regt als goede ambachtsvrouw meent geëxerceerd te hebben;
Dat het beroep ook niet achterwege gebleven is, want dat het klassicaal bestuur bij den onwil van den kerkeraad gedaan heeft, wat des kerkeraads was en den candidaat La Lau als predikant heeft beroepen, conform de collatie, en deze alzoo kerkelijk wettig beroepen predikant van Uitwijk en Waardhuizen is;
Dat mitsdien deze regtbank ook onbevoegd zou zijn dat deel der conclusie van de eischers toe te wijzen, waarbij geconcludeerd wordt, dat de gedane benoeming van den candidaat La Lau nietig zal verklaard worden, vermits de beroeping door de bevoegde kerkelijke overheid is gedaan;
Dat het gedrag van den kerkeraad bij het Provinciaal kerkbestuur van N.-Braband zoo wel als bij den Minister van Eeredienst is afgekeurd geworden, en dat hoewel dezelve onder deze omstandigheden tot het voeren van proces autorisatie van de commissie van Toevoorzigt over de kerkelijke administratie en tot kosteloos procederen van deze regtbank heeft verkregen, het gedrag van dezen kerkeraad opzigtens deze actie niet anders dan als temerair kan beschouwd worden, en de handeling van deszelfs ???????????
Dat op deze gronden de ged. opzigtens die gedane vordering ten principale concludeert, dat de eischers in dergelver genomene primaire zoo wel als secondaire conclusiën zullen worden verklaard niet-ontvankelijk en deze aan hen zullen worden ontzegd;
In elk geval met veroordeeling van de eischers in de kosten te betalen uit de goederen der gemeente, of door de leden van den kerkeraad uit derzelver privé-beurs, zoo als de regter dit zal arbitreren.

Mr. H.J.J. van Convent ten Oever, als procureur voor de eischerese zegt voor repliek:
Dat de aanmerking der ged. op der eischeresses dagvaarding van allen grond ontbloot is, daar het wel onverschillig zal zijn, of de kerkeraad qq, dit is vertegenwoordigende de gemeente, dan wel of de gemeente, vertegenwoordigd door den kerkeraad, in regten ageert;
Dat de gemeente wel degelijk, zoo als zij ageert, geautoriseerd moet zijn en geworden is, dat zij buiten twijfel een zedelijk ligchaam is hetwelk procederen kan, en dat eindelijk de vertegenwoordiging in regten van een zedelijk ligchaam door deszelfs bestuur in geenen deele een ongeoorloofde actie, per procuratorem daarstelt;
Dat ook het argument, waarop de ged. beweert belang bij die opmerking te hebben, even ongegrond is als de opmerking zelve;
Weshalve de eischeresse concludeert, dat de exceptie van niet ontvankelijkheid, en evenzeer het verzoek, dat de eischeresse zal gelast worden eenige onregelmatigheid ten hare koste te verbeteren, zal worden gewezen van de hand, immers daarop geen regard zal worden geslagen;
En ten principale: dat de ged. op den voorgrond onderscheidene zaken als in confesso voorstelt, welke deels als daadzaken valsch zijn, deels als redenering ten ernstigste betwist worden;
Dat toch Waardhuizen wel kerkelijk met Uitwijk zich gecombineerd heeft, maar geenszins met Uitwijk eene ambachtsheerlijkheid daarstelt, of daaronder begrepen is;
Dat zulks reeds op zich zelve eene presumtie zou daarstellen tegen de bewering, dat de benoeming eens leeraars voor de gecombineerde gemeente een ambachts-gevolg van de heerlijkheid van Uitwijk wezen zonde;
Dat Voorts de eischeresse niet slechts tegenspreekt, hoezeer de ged zulks onmogelijk acht, maar stellig ontkent, dat het jus patronatus zoo vóór als na de reformatie in de ambachtsheerlijke regten is begrepen geweest, zijnde gezegd jus patronatus, hoezeer dikwerf de ambachtsheeren, daarvan eigenaren geweest zijn, van nature volstrekt geen heerlijk regt of ambachtsgevolg, maar hetzij door stichting of begiftiging der kerk, hetzij door opdragt der hooge overheid, verkregen;
Dat nu de ged. volstrekt geen titel of bewijs overlegt, volgens welke dat regt aan haar of hare antecesseuren zou aangekomen of verleend zijn, maar integendeel de eischeresse het bewijs overlegt, dat het regt tot benoeming van een kerkedienaar door de hooge overheid aan de gemeente verleend is,
Dat de ged. niet eens doet blijken van eenig verzet, hetwelk daartegen van wege den ambachtsheer in der tijd zoude gedaan zijn, hetgeen toch, ingeval hare bewering gegrond ware, niet achterwege kon gebleven zijn;
Dat het ook eene volstrekte onwaarheid is, dat na 1606 het jus patronatus door de bezitters der ambachtsheerlijkheid steeds zoude uitgeoefend zijn en de kerkeraad eerst 1 ½ eeuw daarna getracht zou hebben hen daarin te storen, en dat de ged. wel in gebreke zal blijven die bewering het bewijs te leveren;
Dat integendeel de geschiedenis der kerk doet zien, dat de eerste beroepen conform de vergunning der overheid door den kerkeraad geschied zijn en dat eerst later de ambachtsheeren getracht hebben zich het collatie-regt toe te eigenen, waartegen zich echter de kerkeraad ten allen tijde zoo veel in hare magt stond, verzet heeft;
Dat alzoo b.v. in den jare 1639 door den kerkeraad met behulp der klassis beroepen is Ds. Bellichius: dat evenzeer ten jare 1678 door den kerkeraad is beroepen Ds. Messu, bij welke gelegenheid de ambachtsheer gemeend heeft zijne aanspraak te moeten doen gelden, waaromtrent toen reeds procedures voor den Hove van Holland zijn hangende geweest, dat daarop in 1717 insgelijks het vrije beroep op Ds. van Cleef door den kerkeraad is geschied, en deze mede daarop in de dienst bevestigd;
Dat dus geenszins, zoo als de ged. zegt, een kerkeraad eens 1 1/2 eeuw na 1605 de bezitters der ambachtsheerlijkheid in hun regt heeft willen storen en dat evenmin uit de provisionele sententie van den Hoogen Raad, toen gewezen, eenig argument voor hetzelve pretense regt der ged. in dit proces ten petitoire kan worden afgeleid;
Dat evenmin de acten van benoeming, sedert door den ambachtsheer uitgevaardigd, ten deze aan het regt der eischeresse eenige prejudicie kunnen toebrengen, daar zij altoos geschied zijn krachtens de bewuste sententie van recredentie van den Hoogen Raad, in dato 28 Mei 1746, en ook alleen uit consideratie daarvan het beroep des kerkeraads de collatie van den heer bevestigd heeft;
Dat dus de vraag, aan wie het regt tot benoeming van den leeraar toekomt, alhier in zijn geheel blijft, dat de ged. wel in gebreke zal blijven, eenigen titel of bewijs aan te voeren, volgens welke dat regt aan haar competeert, en de eischeresse integendeel, hoezeer ten overvloede, het bewijs bijbrengt, dat dat regt door de Hooge Overheid aan de gemeente verleend is;
Dat voorts de ged. er zich niet op beroepen kan, dat zij feitelijk eene collatie op Ds. La Lau heeft uitgebragt, en dat het klassikaal bestuur denzelven dien ten gevolge zou beroepen hebben, veel minder bevoegd is op grond daarvan de incompetentie dezer regtbank te beweren;
Dat bij geschil over den eigendom van het quaestiense regt, de beslissing daarvan aan den burgerlijken regter is opgedragen, en dat, wanneer deze oordeelt, dat de collatie is uitgebragt door een persoon wien het jus patronatus niet toekwam, dezelve acte buiten twijfel nietig en zonder effect moet blijven, uit consideratie waarvan ook de Koninklijke goedkeuring op gemeld beroep tot na de regterlijke uitspraak is terug gehouden, en al hetwelk in casu van strenger toepassing is, daar de kerkeraad onverwijld getoond heeft zelve die pretense collatie niet door een beroep. te willen bevestigen, en evenzeer door een exploit in dato 10 Augustus 1843, behoorlijk geregistreerd, geprotesteerd heeft tegen alle beroeping, welke het classikaal bestuur, hangende de beslissing van het geding voor den burgerlijken regter, zou vermeenen te moeten uitbrengen, en zulks opdat de regten van partijen zouden mogen blijven ongepraejudicieerd;
Dat, wat de subsidiaire quaestie betreft, daar de ged. zich, zonder eene op gronden gevestigde tegenspraak, bepaalt tot eene referte aan des regters oordeel, de eischeresse kan volstaan met zich aan de motieven, in hare conclusie van eisch vervat, te refereren;
Dat, wat eindelijk de gratuite bewering betreft, dat het gedrag des kerkeraads door het Provinciaal Kerkbestuur en door den Minister van Eeredienst zou afgekeurd worden, de eischeresse niet onderstellen kan, dat na alle de pogingen des kerkeraads tot minnelijke schikking, in welke zij zelfs verder gegaan is dan hare voorgangers, wier ijver in het verdedigen van de belangen der kerk door de toenmalige hoogere kerkbesturen van synode en klassis geprezen is, hare tegenwoordige actie immer op goeden grond als vermetel zou kunnen beschouwd worden, en zij integendeel de overtuiging bezit, dat het belang der Gereformeerde gemeente van Uitwijk en Waardhuizen in meer dan een opzigt langer verbood zich eene aanmatiging te doen welgevallen, welke even onwettig als voor het belang der kerk verderfelijk moet geacht worden;
Dat zij dan ook niet uitvoerig zal antwoorden op de vreemde conclusie der ged., ten aanzien van de kosten van dit regtsgeding, maar daarin alleen den geest wil doen opmerken in welken de ged. ten onregte hare ?????????????????????? bijzondere persoenen, en niet de gansche pligt rekenen, aan de bestreden aanmatiging paal en perk te stellen;
Weshalve de eischeresse voor repliek persisteert bij hare welgegronde conclusie van eisch.

De ged doet antwoorden op de conclusiën van repliek voor dupliek:
Dat de Gereformeerde gemeente van Uitwijk geene corporatie is, noch zedelijk ligchaam;
Dat eene dus genoemde Gereformeerde gemeente, uit onbepaalde personen bestaande, van welke men niet zeggen kan, wie bepaaldelijk het ligchaam zoude uitmaken of handelen, noch vatbaar is te ageren, noch actie of executie te lijden;
Dat om die reden een proces, hetwelk men beweert ten haren behoeve gevoerd te worden, moet aangelegd worden ten name van het getal personen of het collegie hetwelk dezelve representeert, en dat dien volgens de dagvaarding, zoodanig deze gedaan is geworden, verkeerd is;
Dat de ged. echter geen voornemen heeft, te dezen aanzien eenig op zich zelf staand geding te urgeren, doch geheel aan den regter overlaat, ten deze ambtshalve te handelen, zoo als deze zal meenen te behooren, daar zij niets liever wenscht, dan dat de conclusien ten principale worden beslist;
Maar dat de ged. niet nalaten kan den regter te doen opmerken, hoe veel belang zij heeft bij de persoonlijke verantwoordelijkheid van personen voor de kosten der condemnatie, daar toch de temeriteit zoo pelpabel is, en het gebrek aan goede trouw zoo groot, dat de handelingen der personen, die alzoo in het duistere willen blijven, en zich achter het onbepaald collectief eener zoogenaamde Gereformeerde gemeente willen verschuilen, alleen daardoor verklaarbaar zijn, omdat zij hopen te beschadigen, zonder schade te kunnen lijden;
Dat immers, ofschoon zij als eischende partij, die opgetreden is met eene vordering, strekkende om te verklaren, dat aan haar, gemeente van Uitwijk en Waardhuizen, het regt van benoeming van eenen predikant toekomt, en dat een op collatie gedaan beroep nietig en van onwaarde zal verklaard worden, zij, (ofschoon daartoe expresselijk gesommeerd) niets anders tot het bewijs van het pretense regt overlegt, dan 1e. een extract uit de resolutiën van de Staten van Holland en West-Vriesland, welke niets tegen het regt van collatie bewijst:
2e. Eene sententie van den Hoogen Raad van 28 Mei 1716, waarbij de ambachtsvrouw van Uitwijk in de possessie, welke de ambachtsheerlijkheid toen reeds erkend was te hebben, is gemaintineerd geworden, en waardoor de eischende partij alzoo niet haar regt, maar juist dat der ged. etablisseert;
Dat het dus niet overeen te brengen is met de goede trouw, wanneer de eischende partij, die hier ten petitoire ageert, zich aanstelt, alsof de ged. met de bewijzen voor haar regt moest opkomen; dat deze handeling daarmede nog te minder strookt, daar de voorgangers der eischende partij aan die maintenue in possessie van 1746 hebben geobtempereerd, en hebben geacquiesceerd;
Dat de eisschers uitdrukkelijk zijn gesommeerd geworden te erkennen of te ontkennen, dat alle de beroepingen sedert dien tijd achtervolgens zonder turbatie door den kerkeraad op collatie zijn geschied, te weten in:
1777 op Groen van Prinsterer.
1779 » Guaetherus Lallemand.
1780 » Johannes Philippo.
1784 » J.M. Petit.
1788 » C.J. Pols.
1789 » B. Steven.
Welke laatste vacature nu de voorziening heeft vereischt, en welke door het classicaal bestuur na gegeven collatie op den den candidaat La Lau is uitgebracht, en dat vermits de eischende partij zulks niet heeft ontkend, maar gezwegen, de ged. alsnu concludeert, dat zulks zal gehouden worden voor erkend;
Aan den regter anderszins overlatende te bevelen, dat de eischende partij zal worden gelast, de extracten uit de registers van den kerkeraad betreffende deze beroepingen over te leggen, waaruit zulks dan zal blijken;
Dat uit den aard der aangelegde actie en op grond van maintenue door den Hoogen Raad de ged. geheel ongehouden is tot eenige productie, maar de eischende partij het regt bewijzen moet, hetwelk zij beweert aan haar geadjudiceerd te moeten worden;
Dat almede niet met de goede trouw overeen te brengen is, wanneer de eischende partij zich gedraagt, als hadde ged. in haar gegeven antwoord bedoeld, dat de kerkeraad van Uitwijk voor het eerst eene turbatie had begaan, waarvan de maintenue van 1746 het gevolg was geweest, invocerende de eischende partij daartoe quasi de geschiedenis der kerk van Uitwijk, en gewag makende quasi bij voorbeeld van beroepingen van den kerkeraad met behulp der classis, van Do Bellichius in 1636, en van 't beroep van Do. Messu in 1676 en van Cleeff in 1717;
Want dat de ged hen, die deze gebeurtenissen quast, als bij voorbeeld van vrije beroepingen, aanhalen, wijst op de geschiedenis der kerk, die zij dan uit hare acte moet kennen, uit welke de eischende partij dan immers geene onwetendheid kan voorwenden, dat ook deze beroepingen conform het regt eener geheel vrije collatie zijn geschied;
Dat de afwijking der eischende partij van de goede trouw des te grooter is, omdat zij weten moet, dat, niettegenstaande bij voorbeeld de toenmalige kerkeraad niets tegen den door den ambachtsheer met de collatie vereerden predikant Bellichius had, maar deze zelfs aangenaam was, doch zij hem niet ontvangen wilde, omdat zij beweerde dat de ambachtsheer slechts een regt van approbatie en geene vrije collatie had, aan denzelven kerkeraad bekend is geworden, dat ook omtrent dezen de Hooge Raad den ambachtsheer van Uitwijk in de possessie der vrije collatie van Uitwijk en Waardhuizen heeft gemaintineerd;
Wetende de eischende partij immers even zoo uit de geschiedenis omtrent Do. Messu, waarop zij zelve zich beroept, dat de Hooge Raad, toen de kerkeraad in 1676 dezen benoemden predikant niet wilde aannemen, toen nogmaals der ged. predecesseuren van de ambachtsheerlijkheid in de possessien van het jus patronatus op den 21 April 1676 heeft gemaintineerd;
Dat de predikant B. van Cleef, in den jare 1717, almede niet is beroepen, dan nadat de collatie vooraf door de ambachtsvrouw op hem was uitgebragt;
Dat vermits de eischende partij zich bij hare replique op zulke antecedenten van aanstelling heeft beroepen, zij hare temeriteit te sterker in het oog doet vallen, daar zij immers hare assertien ten deze niet anders schijnt te hebben durven wagen dan in de veronderstelling, dat de ged. geheel onkundig wezen zou van de geschiedenis der kerk van de ambachtsheerlijkheid, van welker acten de kerkeraad bewaardster is, of behoort te zijn;
Dat de eischende partij bij acte gesommeerd zijnde, om van hare beweringen opzigtens de beroepingen van de predikanten Bellechius, Messu, en van Cleeff wel in eene contra-acte van procureur aan procureur van den 1 Nov 1844, voorgeeft, dat het notulen-boek van den kerkeraad met het jaar 1717 aanvangt, en alzoo de acten van 1676 en 1639, betreffende de beroepingen van Bellechius en Messu, waarop zij zich wilde gronden, niet in haar bezit is, doch dat dit dan ook te meer getuigt van de verregaande temeriteit, die met zoo veel praal van fiducie, van de geschiedenis der kerk in 't voordeel van hare valsche beweringen durfde gewagen, en zij later voorgeeft daarvan de acten niet te bezitten, zij daarentegen zoo onwederlegbaar op die daadzaken, die zij zelve in het proces gebragt had, gelogenstraft wordt;
Dat de ged. daarom alsnu bij gebreke van de eischende partij, om de daadzaken en acten welke zij den regter wil diets maken te bewijzen, van hare zijde zal overleggen en aan de partij door middel van de griffie mededeelt de mandamenten van maintenue van den Hoogen Raad van 21 April 1676 en 9 Sept. 1639, waarbij der ged. predecesseuren in de possessie zijn ?????????????????? Bellechius en Messu, tegen de perverse turbatien, welke de kerkeraad dan op deze dan op gene wijze insidieus heeft beproefd, doch 't welk dezelve bij alle die gelegenheden is verboden geworden, en waaraan het klein getal der leden telkens hare notoire moedwilligheid heeft moeten submitteren;
Dat uit de nu door de eischende partij zelve geproduceerde regterlijke gewijsde van 1746 en uit de tot hare wederlegging door de ged. geproduceerde van 1676 en 1639 alsnu reeds van een possessie van meer dan 200 jaren blijkt, welke voor de ambachtsheerlijkheid bij regterlijk gewijsde is gedeclareerd geworden, terwijl der eischers predecesseuren sedert de laatste van 1746, welke men heeft opgevolgd, alle de beroepingen op collatie hebben gedaan, en de eischende partij, die nu althans avoueert in het bezit der kerkeraads-acten sedert 1717 te zijn, ofschoon daartoe gesommeerd zijnde, niet heeft kunnen, ja zelfs niet heeft durven stellen, dat het collatie-regt niet zou geërbiedigd zijn geweest, of dat aan den kerkeraad het regt zoude hebben toegekomen 't welk zij thans bij actie opvordert:
Dat dit regt ook nu door 't classicaal en Provinciaal bestuur, 't welk de ambachtsheerlijke regen ten deze erkent, is geëerbiedigd gebleven, daar het classicaal bestuur gedaan heeft wat des kerkeraads was, en de Minister van Eeredienst daarom alleen aan den koning de approbatie niet heeft voorgelegd, omdat de eischers de actie ventileerden welke zij aangelegd hebben.
Dat de ged. geene protestatiën zal doen, of in de dingtalen bewijzen zal wat zij al gedaan heeft, om de gemeente bij de uitoefening van haar regt aangenaam te zijn;
Want dat het blijkbaar gedrag dergenen die hier dit proces voeren, wel genoegzaam van derzelver onopregte handelingen, bedoelingen, stoornis en verkeerd opzet zal getuigen;
Dat dit gedrag van dit klein getal personen, de ged. dan ook wel ontslaan zal van eenige beschouwing omtrent het belang der eigenlijke gemeente, daar dit waarlijk niet lijdende is door de regten der ambachtsheerlijkheid, maar door de ijdele zucht om te procederen tegen ambachtsheerlijk regt, waartoe het zoogenaamd belang der gemeente slechts tot schoonschijnend voorwendsel gebezigd wordt;
Dat uit dien hoofde de pogingen, die blijkens dat proces reeds driemaal als stoornis veroordeeld zijn, en waartegen de Hooge Raad verbod gedaan heeft, immers wel op 't minst genomen als onregtmatige daden mogen aangemerkt worden, waarvoor de eigenlijke daders tevens in privé met condemnatie in de judiciële kosten verdienen gestraft te worden, opdat zij het gemeentelijk goed niet ten roof stellen van een ondeugdelijk proces, nadat zij aan de gemeente een goed predikant hebben onthouden;
Dat de gel. alzoo persisteert bij hare regtmatige conclusie van dupliek.

Mr H.J.J. van Convent ten Oever, als procureur voor de eischeresse, zegt nader op de conclusie van dupliek der ged.:
Dat zij de hatelijke uitdrukkingen niet zal beantwoorden, met welke de ged. hare procedure bij voortduring bejegent, overtuigd dat zij op de beslissing van het regtsgeschil geen invloed kunnen uitoefenen en vooral bij een proces, als het onderhavige, gematigdheid van toon hun in de oogen des regters ter eere verstrekt:
Dat zij nu alleen nog bij vernieuwing wil aanmerken, omtrent de latere beroepen door de ged. aangehaald, dat deze alleen daarom op de collatie door ged. hebben plaats gehad, omdat deze de collatie blijkens de acten daarvan uitdrukkelijk uitbragt, krachtens de sententie van recredentie van den Hoogen Raad van Holland, dato 28 Mei 1746, zoo als ook alle de acten van beroep daarvan expresse melding maakten:
Dat zulks in geenen deele aan de definitieve quaestie tusschen partijen veel minder aan derzelver regten ten petitoire, praejudiciëeren kan;
Dat ten aanzien van het laatste niet één bewijs door de ged. wordt bijgebragt, hoezeer zij herhaaldelijk daartoe gesommeerd is,
Weshalve de eischeresse persisteert enz.

J.J. Scheffers, antwoordende op de laatste conclusie der eischers, zegt ten slotte:
Dat er geene bedoeling aan de zijde der ged. bestaat, hatelijke uitdrukkingen te bezigen, en men zich daarvan ook zorgvuldig harerzijds heeft onthouden, doch dat het aan de ged. zeker onmogelijk is en blijven zal, den aard der actie te bewimpelen, die haar zoo onregtmatig en onverdiend beschadigt, en hare regten in haat bij de gemeente brengt;
Dat het nu wel voor onwedersproken zal gehouden mogen worden, dat de voorgangers in de ambachtsheerlijke regten, meer dan 200 jaren het jus patronatus hebben bezeten, en daarin gehandhaafd zijn als van oudsher;
Dat 's Hoogen Raads sententiën en decisiën zijn uitgevoerd en geëerbiedigd geworden, en dat vroeger kerkeraden niet bij magte zijn geweest aan de bekende bewezen en gehandhaafde regten der Ambachtsheeren te wederstaan;
Dat de tegenwoordige eischers dus reeds a priori wisten, dat zij niets tegen een sinds onheugelijken tijd bezeten regt zouden vermogen, en dat zij wisten dat der ged. voorgangers gehandhaafd geworden zijn tegen stoornis en miskenning, toen der eischers voorgangers even zoo konden optreden als zij eischers thans doen, en zij eischers gewisselijk na twee eeuwen niet van betere conditie geworden zullen zijn, dan hunne voorgangers;
Dat het wel in het oog valt hoe de eischers insimuleren als of in dit proces de verpligting tot bewijs op de ged. zou rusten, doch dat men het der ged. ten goede zal moeten houden, dat zij soortgelijke sommatien tot productie naar hare waarde schat;
Dat zij zich bepaalde bij de wederlegging van zeer dubbelzinnige beweringen, hetgeen haar voldoende voorkomt voor iemand die afweert, en dat het immers overbodig zou mogen gerekend worden, dat de ged. niet enkel de gemaintineerde possessie van 200 jaren deed zien, maar dat zij daarenboven bewijzen ging overleggen, hoe het jus patronatus meer dan 300 jaren, en dus zoowel vóór als na de reformatie in Uitwijk in regten was erkend en aangenomen geworden als van oudsher;
Dat zij zich als verweerdster regelt naar de krachten of de zwakheid van den aanval en, vermits zij het er nu na zoo vele dingtalen voor houden mag, dat de staat van het geding door conclusiën en bewijs-middelen aan de zijde der eischers is bepaald, en in staat van wijzen is gebragt geworden, zij het voor onnoodig houdt tot bevrediging van curiositeit of eenige andere aanmatiging, andere kostbare productien te doen, en ook de eischers, aan welke zij hare oorspronkelijke tegenbewijzen heeft ter hand gesteld, meer schrifture wil besparen, die voor de eischers als onleesbaar, en, hoe wel ook ingezien, door hen als ongelezen blijven;
Dat dit een en ander den regter wel overtuigen zal, dat het jus patronatus voor eene gemeente, door zulk een kerkeraad blootgesteld, weldadig is;
En dat dus niets regtmatiger is dan dat de leden van zoodanigen kerkeraad de kosten der eventuele condemnatie niet ten laste van zoodanige ongelukkige gemeente mogen brengen, maar zelve verschuldigd worden, te meer, naardien derzelver kerkelijke bediening naar de wetten en reglementen heeft opgehouden, maar zij bij misbruik zijn aangebleven, niet om te besturen, maar om te procederen;
Weshalve de ged. persisteert bij de vorige dingtalen en concludeert, dat alsnu na de zesde conclusie, door de regtbank dag bepaald zal worden tot pleidooi.


De Regtbank wees hierop het volgende vonnis:

De Regtbank enz.,
Gehoord de wederzijdsche conclusiën en pleidooijen;
Gehoord het Openb. M., adviserende, dat de eischeres bij vonnis dezer Regtbank, zoowel in hare principale als subsidiaire vordering zal worden verklaard niet-ontvankelijk, en haar mitsdien dezelve zal worden ontzegd, met condemnatie van de eischeresse in de kosten:
Overwegende, dat de aangelegde actie primario daartoe strekt, dat bij vonnis dezer Regt bank in het eerste ressort zal worden verklaard, dat aan de ged. in hare betrekking van ambachtsvrouw van Uitwijk, geenszins het regt toekomt om een en predikant voor de gemeente van Uitwijk en Waardhuizen te benoemen, en dat de door haar gedane benoeming mitsdien zal verklaard worden te zijn nietig en van onwaarde, immers dat dezelve geen verder effect zal sorteren;
Dat daarentegen het regt van benoeming als voren zal verklaard worden toe te komen aan de gemeente van Uitwijk en Waardhuizen, met al de wettelijke gevolgen van dien, om door dezelve gemeente, of door den kerkeraad haar vertegenwoordigende, te worden geoefend overeenkomstig de voorschriften der wet;
En subsidiair: dat immers en in allen gevalle de ged in hare gezegde betrekking zal verklaard worden tot de verkiezing en benoeming niet verder of anders te zijn bevoegd, dan uit een dubbeltal, daartoe door den kerkeraad geformeerd en aangeboden, tot welke formatie en aanbieding de eischeresse voor het geval dier uitspraak des regters zich bereid verklaart; en mitsdien altoos de door de ged. uitgebragte keuze en benoeming zal verklaard worden onregelmatig en onwettig en bij gevolg nietig en van onwaarde, alles met veroordeeling der ged. in de kosten dezer precedure;
O., dat van de zijde der ged. ten principale hiertegen is geconcludeerd, dat de eischers, zoo in derzelver genomen primaire als secundaire conclusiën, zullen worden verklaard niet-ontvankelijk, en deze aan hen zullen worden ontzegd, in elk geval met veroordeeling van de eischers in de kosten, te betalen uit de goederen der gemeente, of door de leden van den kerkeraad uit derzelver privé-beurs, zoo als de regter dit zal arbitreren;
O., dat de ged. echter deze hare verdediging ten principale heeft doen voorafgaan van eene exceptive bewering, zijnde namelijk door haar preliminair geconcludeerd tot nietig-verklaring der dagvaarding, althans tot niet-ontvankelijk-verklaring der eischers, op grond: dat de kerkeraad der Hervormde gemeente van Uitwijk en Waardhuizen, autorisatie verkregen hebbende om proces te voeren, had behooren te ageren, zoo als dezelve was geautoriseerd: dat er hier evenwel is gedagvaard geworden uit naam van de Gereformeerde gemeente van Uitwijk en Waardhuizen, vertegenwoordigd door den kerkeraad, doch dat er geene Gereformeerde gemeente Van Uitwijk en Waardhuizen is geautoriseerd: dat zoodanig eene gemeente ook niet kan procederen, als geene corporatie daarstellende, en ook niet procederen kan, vertegenwoordigd door den kerkeraad, daar het niet geoorloofd is door een ander persoon te procederen; dat de ged. belang heeft bij deze opmerking, omdat de eischende partij, zoo als deze ageert, niet vatbaar is voor condemnatien noch executiën, als uit onbekende individus bestaande, waarvan het tegendeel plaats vindt, indien uit naam van den kerkeraad voor de Hervormde gemeente gedagvaard wordt, welke alleen geautoriseerd is;
O., wat de voorafgenomene exceptie betreft, dat de woorden Hervormd en Gereformeerd, in den zin ten deze gebezigd, naar overoud spraakgebruik zijn eensluidend;
Dat voorts uit de overgelegde autorisatie van het provinciaal collegie van toezigt op de kerkelijke administratie der Hervormden in N.-Braband dd. 4 Oct. 1843, blijkt, dat nominatin de Hervormde gemeente van Uitwijk en Waardhuizen is gemagtigd;
Terwijl eindelijk de bijvoeging in de dagvaarding, dat deze gemeente door haren kerkeraad wordt vertegenwoordigd, zich allezins regtvaardigen laat door de bepaling van art. 1692 B. W.;
O. dat, daar alzoo de voorgestelde exceptie, als ongegrond, wegvalt, de primaire vordering der eischers thans het onderwerp van 's regters onderzoek moet uitmaken;
O. te dezen opzigte, dat vóór alles behoort te worden opgemerkt, dat in den regel iedere kerk geacht wordt vrij, dat is, niet aan het patronaatregt onderworpen, te zijn;
Dat, gelijk zulks in den aard der zaak ligt, het alzoo ook reeds vóór de hervorming volgens het pausselijk regt vast stond; lezende de Canonisten «Omnes ecclesiae a jure patronatus liberae existunt, ipsumquae jus patronatus ut quaedum servitus ecclesiae imposita consideratur; »
Dat na de hervorming hierin geene verandering heeft plaats gehad, zijnde slechts, terwijl het eens verkregen regt aan de wettige eigenaars verbleef, de uitoefening daarvan naar de nieuwe omstandigheden gewijzigd;
Dat, wat betreft de bewering der ged., als ware het patronaatregt altoos in de ambachtsheerlijke regten begrepen geweest, zulks niet alleen geheel onbewezen, maar blijkbaar ongegrond is, als zijnde het overbekend, dat de heerlijke regten uit eene gansch andere bron zijn gesproten, dan het jus patronatus, gelijk er dan ook zoo weinig noodwendig verband tusschen beiden bestaat, dat er zelfs vele ambachtsheeren zijn, die het patronaatregt niet bezitten;
0. dat, daar alzoo iedere kerk regtens geacht wordt vrij te zijn, het met de gezonde rede strijden zoude, indien men van eene gemeente, die deze vrijheid inroept, vorderde, dat zij dezelve nog door andere middelen staafde, of wel het negative bewijs leverde, dat de ambachtsheer niet eigenaar is van het collatie-regt, maar dat integendeel als onbetwistbaar mag gelden, dat elk, die eene gemeente deze vrijheid ontzegd wil hebben, en zich zelven eigenaar van het collatieregt beweert, deze bewering met deugdelijke bewijzen behoort te ondersteunen,
O., dat als men de voorgaande redenering toepast op het onderhavige geschil, het hier louter de vraag wordt, of de ambachtsvrouw, ged. in deze, voldoende bewijst, dat haar het regt van collatie toekomt, en alzoo de algemeene regel omtrent het vrije der kerk hier voor de bestaande exceptie moet wijken;
O., ten aanzien dezer vraag, dat het alle opmerking verdient, dat de ged. ten processe geenszins tot hare justificatie inroept, veel min overlegt, eenigen titel van fundatie of verlij, constaterende, dat hare voorgangers aanvankelijk van de bevoegde magt het patronaatregt van Uitwijk zouden hebben verkregen;
Terwijl het overigens wel geen twijfel lijdt, dat zoodanig een titel niet kan worden vervangen door de van de zijde der ged. geproduceerde acte van koop der heerlijkheid en de willige condemnatie van den jare 1725, bij welke acte van koop onder het verkochte ook het collatieregt van Uitwijk wordt vermeld;
Dat toch eensdeels vaststaat, dat geen verkooper meer regt, dan hij zelf blijkt te hebben, aan een kooper kan overdragen, terwijl anderdeels, wat de hier ingeroepen willige condemnatie aanbelangt, dezelve ook, als in dezen alleen tusschen denkooper en verkooper gevallen, regtens niet kan praejudiciëren aan eenen bekenden belanghebbenden en protesterenden derde, met name aan de gemeente van Uitwijk;
O. al verder, dat de ged. ook niet beweert door verjaring eigenares van dit regt te zijn geworden, veelmin de exceptio van praescriptie voorstelt, welke in dat geval, als door den regter niet kunnende aangevuld worden, door haar zou hebben moeten zijn in het midden gebragt;
O., dat de ged. in hare conclusiën wel spreekt van een langdurig ongestoord bezit van het regt van collatie, en op grond van dien van alle bewijs harerzijds wenscht ontslagen te zijn, doch dat, daargelaten de vraag, of zoodanig bezit, zonder daarop gegronde praescriptie hier ten petitoire ooit als volledig eigendoms-bewijs zou kunnen gelden, dit althans zeker is, dat de ged., die dan toch in allen gevalle zoodanig beweerd bezit zou dienen te bewijzen, hetzelve in het onderhavige proces niet bewezen heeft;
Dat immers, wat aanbelangt de mandamenten van maintenue, door de ged. overgelegd, het uit het oude regt bekend is, dat deze regtsmiddelen, waarmede het geding in cas possessoir aanving, geene vonnissen waren, waarbij de possessie aan den impeirant werd geadjulicieerd, maar in effecte slechts geregtelijke autorisatiën, periculo petentis, op diens, eenzijdige voorstelling verleend, en strekkende om een en deurwaarder te magtigen tot het exploiteren eener insinuatie en dagvaarding aan de tegenpartij, terwijl eerst bij het niet verschijnen des ged. op deze dagvaarding, tegen denzelven defaut en eene sententie van recredentie geobtineerd kan worden;
Dat, wat betreft de sententie van recredentie zelve, gelijk er eene van den Hoogen Raad dd. 4 Mei 1746 in het proces is, het almede vaststaat, dat dezelve niet meer waren, dan provisionele beschikkingen, waarbij aan de partij die ze verwierf, voorloopig het genot en momentanele bezit der litigieuse zaak werd toegestaan; immers slechts voor zoo lang tot dat omtrent het volle en definitive bezit, ten plenair possessoir gelijk men het noemde, zoude zijn uitspraak gedaan;
Weshalve dan ook de sententie van recredentie niet werd voorafgegaan van eene volledige instructie der eigenlijke possessoire quaestie, noch van eene contradictoire uiteenzetting der bewijzen van bezit: maar, na een zeer summier onderzoek, op den meest schijnhebbenden titel van possessie, den titulus apparentior of den titulus coloratus werd gewezen,
O., dat almede uit dien hoofde, de regtschrijvers, wanneer zij aan het genot, bij de recredentie voorloopig toegekend, den naam van bezit geven, dit bezit omschrijven als eene possessio momentanea, eene possessio fiduciaria et veluti depositoria: wordende dienovereenkomstig de recredentiarius regtens geacht, niet animo domini voor zich zelven te bezitten, noch voor zich te kunnen praescriberen, maar blootelijk bij provisie te detineren en behoudens restitutie in cas van verlies van het proces ten principale, inmiddels de vruchten te trekken van het litigeuse goed, over welks vol en wettig bezit eerst later, na een meer tijdvorderend en dieper gaand onderzoek, ten plenair possessoir zou worden beslist,
O., dat dus, wel verre van daar, dat de ged. van een langdurig ongestoord bezit zou hebben doen blijken, integendeel uit de overgelegde, steeds tegengesproken mandamenten van maintenue valt af te leiden, dat van ouds, telkens als de gelegenheid zich opdeed, de gemeente vrijheid van beroep beweerde en aan den ambachtsheer of vrouw het bezit van het collatieregt betwistte, gelijk ook overeenstemt met de overgelegde extracten uit de notulen van het verhandelde bij den kerkeraad van Uitwijk en Waardhuizen, ter gelegenheid van verschillende vacatures,
O., wat wijders aangaat de meergemelde sententie van recredentie van 1746, dat uit dezelve dit alleen volgt, dat te dier tijd aan den predecesseur der ged. niets anders is toegekend, dan het regt, om tot tijd en wijle er ten plenair possessoir over het definitief bezit, of ten petitoire over den eigendom zou zijn uitspraak gedaan, inmiddels het genot van de litigieuse zaak te hebben, en alzoo (ongeprejudicieerd de principale quaestie) bij provisie het jus patronatus te mogen uitoefenen,
O., dat, zoo nu al in 1746 de toenmalige eigenaar der ambachtsheerlijkheid van Uitwijk, en bij vervolg van tijd zijne successeuren, uit krachte en zelfs met aanhaling dezer sententie van recredentie, predikanten hebben benoemd, gelijk ten processe blijkt geschied te zijn, deze sententie daarom toch niet van nature veranderd, noch van provisioneel omtrent het genot, definitief op de possessie geworden is;
Dat dien volgens ook deze benoemingen regtens niet kunnen gelden, als daden van wettig en ongestoord bezit, noch het vermogen hebben, om eenige praesumptie van eigendom van het collatieregt ten gunste der ged. te vestigen, hebbende ook de gemeente dezelve benoemingen nooit als zoodanig te duchten gehad, daar de steeds gedane vermelding der recredentie, uit krachte waarvan zij geschiedden, als het ware de gestadige betuiging inhield, dat zij niet meer waren dan daden van provisioneel genot en er dus geene quaestie konde wezen van door stil te zwijgen in een definitief bezit, te acquiessceren;
O., dat uit al het voorgaande duidelijk blijkt, dat terwijl de eischeres in haar voordeel heeft de geregtelijke praesumptie van niet onderworpen te zijn aan het collatieregt, de ged., welke voor zich dit regt beweert en dus deze bewering moest bewijzen, verre weg in dit bewijs is te kort geschoten;
O., dat in dien stand der zake het overbodig zijn zoude te onderzoeken, welke argumenten zich nog laten trekken ten gunste van der eischeresses aanspraak op vrij beroep, 1o. uit de door haar overgelegde extract-resolutie der Staten van Holland en West-Vriesland, dd. 10 Julij 1606, waarbij aan de inwoners en gemeene na buren van Uitwijk en Waardhuizen wordt geaccordeerd een kerkedienaar (dat is volgens het toenmalig spraakgebruik een predikant) tot Uitwijk beroepen te mogen worden, en 2o. uit het werk, getiteld: De oudheden en gestichten van het regte Zuid-Holland en van Schieland, Amsterdam 1719, welks schrijver (blz. 208-220) de parochiekerk van Uitwijk vermeldt, als oudtijds ter begeving staande van den proost der Sint-Salvadorskerk te Utrecht, dat is met andere woorden niet aan het jus patronatus laicale van een wereldlijk persoon, maar aan het jus patronatus ecclesiasticum van eene proostdij onderworpen:
O., dat er alzoo genoegzame redenen aanwezig zijn, om aan de eischeres hare gedane vordering toe te wijzen, met uitzondering nogtans van dat gedeelte derzelve, waarbij zij eischeres concludeert, dat de door de ged. gedane benoeming zal worden verklaard nietig en van onwaarde, immers dat dezelve geen effect zal sorteren: dat toch deze benoeming (gelijk zij eischeresse zelve erkent) is geschied uit krachte der meergemelde sententie van recredentie van 1746, welke sententie naar den regtsregel die alle provisionele vonnissen effect laat sorteren, tot dat definitief over het geschil is beslist) aan de ged. ongetwijfeld de bevoegdheid gaf om, ook hangende het onderhavige proces, het genot der litigieuse zaak te hebben en dus bij provisie het collatieregt nog uit te oefenen;
O. eindelijk, dat na deze oplossing der primaire quaestie desgedings, het onderzoek omtrent de gegrondheid der secundaire quaestie van zelf moedeloos wordt:
Gezien art. 1902 B. W.;
Verwerpt de exceptie, door de ged. voorgesteld;
En ten principale regt doende,
Verklaart, dat aan de ged., in hare betrekking van ambachtsvrouw van Uitwijk, geenszins het regt toekomt, om eenen predikant voor de gemeente Uitwijk en Waardhuizen te benoemen;
Maar dat daarentegen dit regt van benoeming toekomt aan de gemeente van Uitwijk en Waardhuizen, met al de wettelijke gevolgen van dien, om door dezelve gemeente, of door den kerkeraad, haar vertegenwoordigende, te worden geoefend, overeenkomstig de voorschriften der wet,
Ontzegt het meerder of anders geëischte, en verwijst de ged. in de kosten van het regtsgeding:
(Naar men verneemt, zoude de succumberende partij van dit vonnis in appel komen. Met belangstelling ziet men de decisie van het Provinciaal Geregtshof te gemoet.)

Ontleend aan: Weekblad van het regt, no. 629, Donderdag 28 Augustus 1845, p. 273-275.

Terug naar collatierecht Uitwijk.
Verder naar procedure Hof.



Deze website gebruikt cookies.