Collatierecht Uitwijk, procedure Hoge Raad


No. 335.
(Art. 689 en 1903 van het Burgerlijk Wetboek; art. 56 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.)
Kunnen de artikelen 1903 en 639 van het Burgerlijk Wetboek geacht worden te zijn geschonden, door te verstaan, dat de partij, welke of wier autheuren bij eene bij sententie van den Hoogen Raad van Holland en Zeeland, in den jare 1746 uitgesprokene recredentie, is gekomen of bevestigd in het bezit van de uitoefening van het collatieregt in verschil, daaruit niet kan worden verstooten door de instelling eener NEGATOIRE ACTIE, maar dat, voor zoo ver zulks wordt beproefd bij eene actie TEN PETITOIRE, aan die partij de last incumbeerde van haar beter regt TEN PETITOIRE te bewijzen, en door, nadat IN FACTO was aangenomen, dat zoodanig beter regt niet was bewezen, de partij, welke zoodanige actie heeft ingesteld, daarin te verklaren niet ontvankelijk? – NEEN.
Is het voorschrift van artikel 56 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, op het punt der compensatie van kosten ten eenemale FACULTATIEF en niet IMPERATIEF; en moet dat artikel alzoo geacht worden niet te zijn geschonden door eene veroordeeling in kosten, welke, in verband met de gedane uitspraak, hadden kunnen zijn gecompenseerd? - JA.
(Arrest van den 10 November 1848.)

De inwoners van Uitwijk en Waardhuyzen hebben sedert eeuwen met de Ambachtsheeren van Uitwijk verschillen gehad over het regt tot benoeming van eenen geestelijke of zoogenaamd regt van collatie, bewerende de ingezetenen, dat zij tot een vrij beroep geregtigd waren, terwijl de Ambachtsheeren volhielden, dat zij alleen bevoegd waren, den geestelijke voor de gemeente te benoemen.
Speciaal nadat de hervorming hier te lande was doorgedrongen, en nadat door de Staten van Holland en West-Friesland, bij Resolutie van den 10 Julij 1606, aan de inwoners en gemeene naburen van Uitwijk en Waardhuyzen was toegestaan het beroepen van eenen kerkendienaar voor beide plaatsen, op den voet als voor andere dienaars ten platten lande, de kerken zonder combinatie bedienende, mits zij ingezetenen te hunne pericule denselven met goede sauvegarde zullen sien te bewaren, heeft de Hervormde gemeente zich steeds verzet tegen het regt, hetwelk de Ambachtsheeren beweerden.
Dien ten gevolge zijn telkens wanneer er eene vacature ontstond, procedures gevoerd in cas possessoir, die echter dan weder, ten gevolge van minnelijke schikkingen, ongepraejudiciëerd eens ieders regt, zijn onvervolgd gebleven.
Alzoo is ook bepaaldelijk in den jare 1745 eene possessoire procedure ontstaan voor den Hoogen Raad, bij gelegenheid dat de gemeente een vrij beroep had gedaan, zonder medewerking van den Ambachtsheer.
De Ambachtsheer heeft alstoen verzocht mandement van maintenue in zijn beweerd patronaatregt, met adjudieatie der recredentie, terwijl de Kerkenraad, volgens de toen gebruikelijke wijze van procederen, het interdict heeft geredoubleerd, en insgelijks de recredentie of handhaving in de voorloopige possessie heeft gevraagd.
Alstoen op die verzoeken voortgeprocedeerd zijnde, is hetzelve, bij arrest van den 21 Mei 1746, aan den Ambachtsheer geadjudiciëerd; blijvende echter de quaestie omtrent het plenair possessoir of de definitive possessie alsnog litispendent.
Ten gevolge van deze beslissing heeft de Kerkenraad moeten toelaten, dat de Ambachtsheer bij provisie den predikant benoemde, zoodat dan ook bij volgende vacatures de collatie door de Ambachtsheeren is uitgeoefend, waartegen de Kerkenraad zich niet heeft verzet, mits slechts in de akte van benoeming werd ingelascht, gelijk dit dan ook steeds heeft plaats gehad, dat die collatie geschiedde uit krachte en ten gevolge van de hiervoor vermelde sententie van recredentie.
In 1843 op nieuw eene vacature zijnde ontstaan, heeft de Hervormde gemeente gemeend, dat het van belang was dezen provisionelen toestand te doen ophouden, en dezelve heeft alzoo eene petitoire actie ingesteld tegen de tegenwoordige Ambachtsvrouw, dáártoe strekkende, dat door den regter zoude worden verklaard, dat aan de Ambachtsvrouw als zoodanig geen regt toekomt tot benoeming van eenen predikant; dat alzoo de door haar gedane benoeming zou worden verklaard van onwaarde, en dat integendeel dat regt van benoeming aan de gemeente behoorde, terwijl subsidiair werd geconcludeerd, dat de Ambachtsvrouw in hare betrekking, zoo men haar al het regt van collatie kon de toekennen, nooit verder of anders tot de verkiezing bevoegd zou worden verklaard, dan uit een dubbeltal, door de gemeente geformeerd en aangeboden.
De Ambachtsvrouw op deze dagvaarding procureur gesteld hebbende, heeft, na primario eene exceptive defensie te hebben gevoerd, die is verworpen en thans niets meer ter zake doet, ten principale tot niet-ontvankelijk verklaring of ontzegging, zoo van den principalen als subsidiairen eisch, geconcludeerd.
De zaak alzoo in staat van wijzen gebragt zijnde, heeft de Arrondissements-Regtbank te Rotterdam, bij vonnis van den 23 Junij 1845, het regt van benoeming aan de gemeente toegekend, op gronden in dat vonnis vermeld, terwijl dien ten gevolge niet is of behoefde te worden regt gedaan op de subsidiaire conclusie, door de eischeresse genomen.
Van dat vonnis echter geappelleerd zijnde, heeft het Hof in Zuid-Holland, na wisseling van grieven, waarbij de Ambachtsvrouw zich bepaaldelijk op praescriptie, waarvan in eerste instantie geene sprake was geweest, heeft beroepen, en antwoord op dezelve, en na vruchtelooze poging tot schikking, bij arrest van den 12 Mei 1847 het vonnis vernietigd, de gemeente in haren originelen eisch verklaard niet-ontvankelijk, terwijl echter de subsidiaire conclusie aan de gemeente is toegewezen en is verklaard dat de Ambachtsvrouw niet anders tot de benoeming van eenen predikant was bevoegd, dan uit een dubbeltal, door de gemeente of Kerkenraad benoemd en aangeboden; met compensatie van de kosten in appel gevallen en met veroordeeling van de oorspronkelijke eischeresse in de kosten in eersten aanleg.
De Gereformeerde gemeente te Uitwijk en Waardhuyzen, in dat arrest, voor zoo verre daarbij hare primaire conclusie was afgewezen en zij in de kosten van eersten aanleg was veroordeeld, bepaalde en stellige wetschending meenende te vinden, heeft zich daartegen in cassatie voorzien, en nadat de gronden voor die voorziening bij memorie waren ontwikkeld en van wege de Ambachtsvrouw wederlegd, is namens die gemeente genomen de volgende conclusie:
,,Aangezien de beslissing van het Provinciaal Geregtshof in Zuid-Holland, waartegen deze voorziening in cassatie is gerigt, niet is gegrond op titels waardoor het regt der Ambachtsheeren zoude worden gejustificeerd, maar eenig en alleen dáárop, dat sedert de sententie van recredentie, van 1746 tot nu toe de Ambachtsheeren zouden zijn geweest in het ongestoorde bezit en de onbetwiste uitoefening van het regt van collatie, en alzoo de langst mogelijke verjaring zoude zijn vervuld;
,,Aangezien de overweging van het Hof, dat de eischeresse zoude zijn niet-ontvankelijk in hare origineel ingestelde actie, omdat zij onbevoegd zou zijn geweest, thans nog de titels van bezit te betwisten, waarop de sententie van recredentie was verleend, openlijk in strijd is met hetgeen vroeger in facto bij het arrest is aangenomen, dat de verweerderesse zich niet op titels maar op bezit beroept, en deze geheele redenering berust op eene zonderlinge verwarring van denkbeelden omtrent het petitoir en het possessoir;
,,Aangezien toch recredentie werd toegewezen aan hem, die den meest plausibelen titel voor zijn bezit kon aanvoeren, maar desniettemin de partij bevoegd bleef, dien titel en het regt tot bezit te contesteren, het zij ten petitoire het zij in het proces in het plenair possessoir; zoodat, vermits er geen termijn bepaald was, binnen welken dat proces moest worden vervolgd, het bezit uit kracht der sententie van recredentie, altijd bleef provisioneel, en de quaestie wie als eigenaar of zelfs als bezitter was aan te merken, litispendent;
,,Aangezien alzoo ten eenemale erroneus is, dat, omdat reeds vroeger (in 1745), om de recredentie te verkrijgen, een titulus apparentoir MOET vertoond zijn, deze praesumptie den Ambachtsheer dispenseren zoude, om in judicio petitorio zijn eigendom door een titel te bewijzen, of de gemeente niet-ontvankelijk zou maken om de titels zelfs, zoo zij bijgebragt waren, in gemeld judicium te contesteren, uit hoofde zij in die provisionele sententie zou hebben berust;
,,Aangezien toch tegen zoodanige provisionele sententie, noch appel noch ander middel van verzet werd toegelaten, en degene, tegen wien zoodanige sententie was gewezen, dus wel verpligt was zich daaraan, behoudens zijn regt in het plenair possessoir of ten petitoire te onderwerpen, ja zelfs zich onderwerpen moest, alvorens ten petitoire te kunnen ageren;
,,Aangezien dus voor zoo verre, afgescheiden van het middel van praescriptie, reeds op dien grond in het arrest betoogd is, dat de geïntimeerde (nu eischeresse) niet ontvankelijk zou zijn, het Hof apert heeft gevioleerd artikel 1902 van het Burgerlijk Wetboek, hetwelk het bewijs oplegt aan hem, die een regt sustineert, in verband met artikel 639 van het Burgerlijk Wetboek, waarin de bronnen worden opgegeven, waaruit dat regt alleen kon voortgesproten zijn en waarop het dus gebaseerd moest worden;
,,Aangezien toch in casu niet de eischeresse in cassatie, maar de verweerderesse, als een regt bewerende, strijdig met het algemeen regt, bewijzen moest de oorzaak, waardoor zij dat exceptioneel regt zou hebben verkregen;
,,Aangezien in de tweede plaats, door de stelling van het Hof omtrent de verjaring, blijkbaar zijn overtreden de artikelen 585, 665, 617, 591, 592, 1992, 1993 en 1996 van het Burgerlijk Wetboek en daarmede overeenstemmende artikelen 2231, 2240, 2228, 2229, 2232, 2233 en 2236 van het Code Napoleon; voorts de artikelen 459, 460, 1859, 1861, 1862, 1866 en 1870 van het Wetboek Lodewijk Napoleon, en de voorschriften van het Romeinsche regt, vroeger hier te lande in vigueur, vervat in de LL 3, §3, 19 en 20 et L 18 pr. L 22 et 41 D. de acq. vel amit. possessione XLI: 2, - L 2 § 1D. pro herede XLI: 5. L 3 et 25 D. de usurp. XLI: 3,-L 1 D. pro suo XLI: 10, - L2 C. de praescript. 30 vel 40 an VII: 39, L 10 et 11 C. de acq. vel retin. possess. VII: 32 et L 1 C. comm. de usuc. VII: 30;
,,Aangezien het toch bekend is, dat volgens de oud-Hollandsche regten, de sententie, waarbij recredentie werd verleend, alleen een provisioneel bezit gaf gedurende het proces, en alzoo eene provisie van justitie was, geheel overeenkomstig met die welke bij artikel 617 van het Burgerlijk Wetboek wordt bedoeld; en zoodanig bezit alzoo nimmer in staat is om praescriptie daar te stellen, daar hetzelve gegrond is op een titel die slechts een provisioneel genot toekent, onder gehoudenis om na de beslissing ten petitoire of zelfs ten possessoire, hetzelve af te staan, en zelfs van de vruchten rekening te doen;
,,Aangezien dus het Hof eene praescriptie heeft toegelaten in strijd met den titel, uit krachte waarvan men in het bezit was, en juist daardoor zoowel de aangehaalde wetten, die het oud-Hollandsch regt op dit punt uitmaakten, als de artikelen uit het Wetboek Lodewijk Napoleon, het Wetboek Napoleon en de nieuwe Nederlandsche wetgeving heeft geschonden;,
,,Aangezien eindelijk in de derde plaats het Hof, door de veroordeeling van de eischeresse in de kosten van eersten aanleg uit te spreken, heeft overtreden artikel 56 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, daar alleen wanneer men in het ongelijk is gesteld, eene veroordeeling in de kosten mag uitgesproken worden;
,,Aangezien nu in casu de eischeresse in eersten aanleg in hare primitive vordering getriumpheerd hebbende, daardoor van zelf is vervallen het onderzoek naar de secundaire vordering, evenzeer door de partij in eersten aanleg als in appel wedersproken, terwijl in appel, hoewel het Hof omtrent de primitive vordering met de Regtbank verschillende, juist de secundaire vordering is toegewezen, zoodat in waarheid, ofschoon de eischeresse regt heeft zich te beklagen, dat ook niet in appel hare primaire vordering is toegewezen, zoowel in eersten aanleg als in appel niet de eischeresse, maar de Ambachtsvrouw steeds in het ongelijk is gesteld;
,,Zoo concludeert Mr. GERRIT VAN DER JAGT Wz., als procureur van de eischeresse in cassatie, dat bij arrest van den Hoogen Raad zal worden gecasseerd het arrest van het Provinciaal Geregtshof in Zuid-Holland van den 12 Mei 1847, voor zoo verre daarbij, regtdoende op de primaire eisch en conclusie der eischeresse, in eersten aanleg gedaan en genomen, het appel en het vonnis van de Arrondissements-Regtbank te Rotterdam, op den 23 Junij 1845 tusschen partijen gewezen, is te niet gedaan, en de eischeresse is verklaard in hare originele eisch en conclusie te zijn niet-ontvankelijk, met veroordeeling in de kosten in eersten aanleg gevallen, en met compensatie der kosten van appel, en doende hetgeen dat Hof onder reverentie had behooren te doen, zal worden bevestigd het vonnis, door de Arrondissements-Regtbank te Rotterdam op den 23 Junij 1845 gewezen, met veroordeeling van de verweerderesse in allen geval in alle de kosten, zoo in de beide vorige instantiën als in cassatie gevallen.”

Aan de zijde van de Ambachtsvrouwe van Uitwijk is daartegen genomen de volgende conclusie:
,,Aangezien de eischeresse in de eerste plaats, voor het geval dat er op een valschen regtsgrond tegen haar bij 's Hof arrest uitspraak mogt zijn gedaan, alsdan als middel van cassatie aanvoert eene schending van de artikelen 1902 en 639 van het Burgerlijk Wetboek;
,,Aangezien intusschen de ongegrondheid van dit voorwaardelijk cassatie-middel ten duidelijkste hieruit volgt, dat de eischeresse en in eersten aanleg en in hooger beroep ten petitoire eischte, dat het regt tot benoeming van een predikant verklaard zou worden aan haar, niet aan de verweerderesse toe te komen, en zij mitsdien verpligt was, ook naar de aangehaalde wetsbepalingen, het bestaan van het opgevorderde regt te bewijzen;
,,Aangezien aan eene schending van de artikelen 639 en 1902 des te minder gedacht kan worden, vermits de judex facti, onherroepelijk heeft uitgemaakt, dat bij de eigenaars der Ambachtsheerlijkheid van Uitwijk, sedert den jare 1746 tot den jare 1843, en alzoo gedurende omstreeks honderd jaren, heeft bestaan het ongestoorde bezit en de onbetwiste uitoefening van het collatie-regt, en dat mitsdien ten deze de langstmogelijke verjaring is vervuld, welke beslissing van zelve medebragt, dat de eischeresse, tegen dat bezit en die verjaring een beter regt willende doen gelden, zeer zeker verpligt was, dit door haar beweerde regt te staven;
,,Aangezien de eischeresse in de tweede plaats als cassatiemiddel aanvoert, overtreding van acht artikelen uit het Burgerlijk Wetboek, zeven artikelen uit het Code Napoleon, zeven artikelen uit het Wetboek Lodewijk Napoleon en de voorschriften van negen Romeinsche wetten, als zoude het Hof eene praescriptie hebben toegelaten in strijd met den titel, uit krachte van welken de gedaagde in bezit was, dat is, volgens de eischeresse, de sententie van recredentie, door den voormaligen Hoogen Raad den 28 Mei 1846 gewezen;
,,Aangezien intusschen bij dit middelde eischeresse, kennelijk in strijd met den aard der cassatie,'s regters feitelijke beslissing, dat het bezit en de uitoefening van het collatie-regt steeds is verbleven bij de eigenaars der heerlijkheid, poogt te bestrijden en te doen vervangen door eene tegenovergestelde feitelijke beslissing, onder voorgeven dat hier eene verjaring in strijd met den titel van bezit zoude zijn toegelaten;
,,Aangezien de ongegrondheid ook van dit tweede cassatiemiddel al verder blijkt uit 's Hofs overwegingen, volgens welke het feit van evengemeld bezit niet enkel is afgeleid uit de sententie van recredentie, maar deze uitspraak integendeel gegrond was op het reeds vooraf bestaande bezit, dat bezit op nieuw heeft uitgemaakt en de stoornissen, daartegen ingebragt door de predecesseuren des gedaagden, heeft doen ophouden, zoodat hier dan ook alle denkbeeld vervalt van alle verjaring in strijd met den titel;
,,Aangezien de eischeresse in de derde plaats aanvoert eene schending van artikel 56 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, op grond dat de eischeresse, schoon niet in het ongelijk gesteld, echter in de kosten van eersten aanleg is veroordeeld;
,,Aangezien intusschen ook dit cassatie-middel vervalt door de opmerking, dat bepaaldelijk de eischeresse en niet de gedaagde in eersten aanleg in het ongelijk was, toen zij een eisch instelde waarin het Hof haar niet ontvankelijk verklaard heeft, van welke uitspraak de veroordeeling van de eischeresse, die gratis procedeert, in de kosten een noodwendig gevolg was, terwijl de compensatie der kosten in hooger beroep aan de gedaagde een bezwaar heeft toegebragt, hetwelk eerst nader ter sprake kan komen bij de behandeling van hare voorziening in cassatie;
,,Zoo concludeert Mr. JACOB GEORGE ALEXANDER CLANT, als procureur der verweerderesse, dat bij arrest van den Hoogen Raad zal worden verworpen de eisch in cassatie, door de eischeresse ingesteld tegen het arrest, door het Provinciaal Geregtshof in Zuid-Holland den 12 Mei 1847 tusschen partijen gewezen, met veroordeeling van de eischeresse in de kosten der cassatie, gereserveerd aan de verweerderesse hare conclusiën op de voorziening tegen het gemeld arrest, in zoo verre zij daarvan in cassatie is gekomen.”

Nadat deze conclusiën door Mr. P. C. SCHOONEVELD namens de Gereformeerde gemeente te Uitwijk en Waardhuyzen, en door Mr. G. DELPRAT namens de Ambachtsvrouw van Uitwijk, bij mondelinge pleidooijen waren geadstrueerd, heeft de Advocaat-Generaal GREGORY gezegd:
,,De Gereformeerde gemeente te Uitwijk en Waardhuyzen, eischeresse in deze, heeft in het jaar 1844 de Ambachtsvrouw van Uitwijk, verweerderesse in cassatie, voor de Arrondissements-Regtbank te Rotterdam gedagvaard, eerstelijk om bij vonnis van gemelde Regtbank te hooren verklaren, dat niet aan de verweerderesse, maar aan haar eischeresse het regt toekwam, voor de gemeente van Uitwijk en Waardhuyzen eenen predikant te benoemen, en voorts subsidiair, dat de verweerderesse in deze hare betrekking tot die verkiezing en benoeming niet anders was bevoegd, dan uit een dubbeltal, daartoe door den Kerkenraad geformeerd en aangeboden.
,,Bij vonnis van den 23 Junij 1845, heeft de Regtbank te Rotterdam aan de eischeresse hare primaire vordering toegewezen, waardoor een onderzoek omtrent de gegrondheid der subsidiaire vordering van zelf noodeloos werd, en de verweerderesse in de kosten van het geding veroordeeld.
,,Dit vonnis is door het Hof in Zuid-Holland, bij arrest van den 12 Mei 1847, vernietigd geworden. Het Hof heeft bij dat arrest de eischeresse in hare primaire eisch en conclusie niet-ontvankelijk verklaard en haar veroordeeld in de kosten in eersten aanleg gevallen, terwijl het hare subordinate conclusie aan haar heeft toegewezen, met compensatie der kosten van het hooger beroep.
,,Tegen het eerste gedeelte van dat arrest, namelijk dat gedeelte, waarbij de eischeresse niet-ontvankelijk is verklaard in hare primaire eisch en conclusie, is deze in cassatie gekomen: dat gedeelte maakt uitsluitend het onderwerp uit van deze voorziening in cassatie. In het tweede gedeelte heeft zij natuurlijk berust, doch daartegen heeft de verweerderesse zich in cassatie voorzien. De behandeling daarvan is echter uitgesteld, omdat zij afhankelijk is van den uitslag der onderwerpelijke voorziening.
,,Tegen dat eerste gedeelte nu van het beklaagde arrest zijn door de eischeresse drie middelen van cassatie aangevoerd, waarvan de twee eerste op de zaak zelve, het derde op de kosten betrekking hebben.
,,Het eerste middel wordt opgegeven te bestaan in schending van artikel 1902, in verband met artikel 639 van het Burgerlijk Wetboek, vermits het Hof, volgens opgave der eischeresse, heeft aangenomen, dat zij niet-ontvankelijk zoude zijn in hare origineel ingestelde regtsvordering, omdat zij onbevoegd zou zijn geweest thans nog de titels van bezit te betwisten, waarop de sententie van recredentie in 1746 was verleend.
,,Het tweede middel wordt gezegd gelegen te zijn in schending van artikel 585 en eenige andere artikelen van het Burgerlijk Wetboek, en de daarmede overeenstemmende wetsbepalingen van het Code Napoleon, het Wetboek Lodewijk Napoleon en het Romeinsche regt, doordien het Hof, op grond van het bezit uit krachte der sententie van recredentie, de verjaring heeft toegelaten.
,,Het Hof heeft de niet-ontvankelijkheid der eischeresse in hare primaire eisch en conclusie op twee gronden uitgesproken, welke geheel op zich zelven staan, van daar dat dan ook de eischeresse tegen die uitspraak twee middelen van cassatie heeft aangevoerd.
,,In eersten aanleg was slechts de vraag, wie van beide, de eischeresse of de verweerderesse, het bewijs moest leveren, of aan de eischeresse dan wel aan de verweerderesse het regt toekwam, voor de gemeente Uitwijk en Waardhuyzen eenen predikant te benoemen. In hooger beroep kwam bovendien het punt der verjaring ter sprake, daar de exceptie der verjaring in hooger beroep voor het eerst werd voorgesteld.
,,Neemt men aan, dat in deze het bewijs door de eischeresse moest worden geleverd, en dat zulks door haar niet is gedaan, dan is hare niet-ontvankelijkheid te regt uitgesproken, dan is een onderzoek naar de juistheid of onjuistheid van den tweeden grond, het punt der verjaring, geheel en al noodeloos, en dan is het geheel en al onverschillig, of het Hof daarin al dan niet gedwaald heeft.
,,Voor de uitspraak der niet-ontvankelijkheid was één grond voldoende; het Hof zoude zich dan ook, gelijk het zelf zegt, bij een onderzoek van den eersten grond bepaald hebben, ware het niet dat door de verweerderesse uitdrukkelijk in hooger beroep mede regt was gevraagd op de verkregene verjaring. Deze was de reden, waarom het Hof ook ten opzigte van dit punt een onderzoek in het werk stelde. Doch wat is nu hiervan het gevolg? Dat wanneer het eerste middel van cassatie bevonden wordt ongegrond te zijn, een onderzoek naar het tweede middel doelloos is.
,,Immers is het eerste middel onaannemelijk, dan staat het tevens vast, dat de eerste grond waarop het dispositief van het arrest ten opzigte der niet-ontvankelijkheid rust, juist is; en daar nu deze grond geheel en al op zich zelven staat, voor de uitspraak der niet-ontvankelijkheid volkomen voldoende is, met den tweeden grond in geen het minste verband staat, daar deze niets anders is dan een afzonderlijke grond ex superabundanti, zoo moet het dispositief van het arrest geëerbiedigd worden, al ware de tweede grond ook nog zoo verkeerd.
,Van deze stelling uitgaande, zal ik mij dus niet met het tweede middel van cassatie bezig houden, maar mij alleen bij het eerste bepalen, waardoor de zaak zeer wordt vereenvoudigd, vooral ook omdat daardoor een onderzoek naar die menigte van wetsbepalingen, waarvan de schending wordt beweerd, vermeden wordt.
,,Gelijk de Raad zich zal herinneren, beweert de eischeresse, dat het Hof heeft aangenomen, dat zij niet ontvankelijk zoude zijn in hare origineel ingestelde regtsvordering, omdat zij onbevoegd zou zijn geweest, thans nog de titels van bezit te betwisten, waarop de sententie van recredentie in 1746 verleend was, en vindt zij daarin eene schending van artikel 1902, in verband met artikel 639 van het Burgerlijk Wetboek.
,,In de eerste plaats moet ik opmerken, dat de eischeresse de zaak verkeerd voorstelt, en aan het Hof een gevoelen toeschrijft, hetwelk het niet heeft geuit. Het Hof toch heeft, blijkens de dertiende overweging van het arrest, wat het regt betreft, alleen dit gezegd, dat van de verleende sententie van recredentie af, de eischeresse onbevoegd is geweest en gebleven, om de titels van bezit, waarop die sententie destijds verleend is, alsnog, gelijk van die zijde beweerd is, BLOOTELIJK actione negatoria te kunnen betwisten.
,,In de tweede plaats moet ik aanmerken, dat de eischeresse, door zich te beklagen dat het Hof haar de bevoegheid ontzegd heeft om thans nog de titels van het bezit te betwisten, daardoor stilzwijgend te kennen geeft, dat op haar de verpligting rustte om het bewijs van het door haar beweerde regt te leveren. Doch wat van deze stilzwijgende erkentenis ook moge zijn, naar mijn inzien moest de eischeresse, in den stand waarin zich de zaak bevond, het bewijs van het door haar beweerde regt leveren, en kan zij de titels van het bezit, waarop de sententie van recredentie verleend was, niet blootelijk actione negatoria betwisten.
,,Ik geef het gaaf toe, dat, in den regel, iedere kerkelijke gemeente geacht wordt vrij te zijn, en dat hij die beweert het regt van patronaatschap of collatie te bezitten, dat regt moet bewijzen. Doch wat was hier het geval? De voorgangers van de verweerderesse waren sedert een groot aantal jaren in het bezit en de uitoefening van patronaatschap geweest. Toen zij in het jaar 1746 daarin op nieuw werden gestoord, werd er door hen bij den Hoogen Raad verzocht en verkregen een mandament van maintenue, hetwelk van eene sententie van recredentie werd gevolgd. Volgens het oud-Hollandsch regt was men in materie possessoir van patronaatschap verpligt, zijne titels over te leggen. Dit leeren HOGERBEETS, VAN DER LINDEN en anderen, op de door den pleiter voor de verweerderesse aangehaalde plaatsen, en deze leer is gegrond op artikel 200 en volgende der Ordonnantie en Instructie van den Hoogen Raad, te vinden in het Groot Placaat Boek, Deel V pag. 866 en volgg. Daar nu in der tijd aan de voorgangers der verweerderesse de door hen verzochte recredentie is verleend geworden, zoo volgt daaruit, met het oog op voornoemd artikel 200, dat deze destijds titels en wel de beste titels hebben voorgebragt.
,,Wilde nu de eischeresse het effect doen ophouden der sententie van recredentie, waarbij de voorgangers der verweerderesse in hun bezit zijn gehandhaafd geworden, dan had zij ten plenair possessoir of ten petitoire moeten ageren, en alsdan niet alleen titels moeten overleggen, maar zelfs betere dan die, waarop in der tijd de sententie van recredentie was verleend geworden, titels die de kracht en het gewigt, welke in der tijd aan de titels, door de voorgangers, der verweerderesse overgelegd, door den Hoogen Raad was gehecht geworden, deden vervallen, in één woord, titels welke duidelijk aantoonden, dat de voorgangers der verweerderesse in der tijd door den Hoogen Raad ten onregte in het bezit waren gehandhaafd geworden. En wat heeft nu de eischeresse gedaan? Na honderd jaren gewacht te hebben, stelt zij eindelijk eene actie in ten petitoire. Doch hoe? Even als of er geene sententie van recredentie in der tijd was gegeven geworden. Zij bepaalt zich met te zeggen, dat elke kerkgemeente een regt van vrij beroep heeft, en dat, indien de verweerderesse het collatie-regt bezit, zij zulks moet bewijzen, terwijl zij slechts ten overvloede eene Resolutie van de Staten van Holland en West-Vriesland, van den 10 Julij 1606, aanvoert tot staving van haar regt van vrij beroep.
,,Was er geene sententie van recredentie tusschenbeide gekomen, de eischeresse had zich bij het zoo evengenoemde beweren kunnen bepalen en daarmede kunnen volstaan, doch nu de recredentie bestaat, nu kan zij zich op geene praesumtie van vrij beroep beroepen, maar moet integendeel haar regt van vrij beroep aantoonen, omdat dan de voormelde praesumtie door de sententie van recredentie heeft opgehouden te bestaan. Te regt zeide dus het Hof, dat de eischeresse de titels van bezit, waarop die sententie destijds verleend is, niet BLOOTELIJK actione negatoria kon betwisten. Intusschen heeft zij dit BLOOTELIJK actione negatoria gedaan, want de Resolutie van 1606, die zij bovendien slechts ten overvloede heeft aangehaald, zegt niet door wien de benoeming van den predikant zoude moeten geschieden, zoodat uit dit stuk, gelijk het Hof te regt opmerkt, niets tot bewijs voor het beweren der eischeresse kan worden afgeleid.
,,Kon nu de eischeresse zich ten gevolge der vroeger verleende sententie van recredentie bij geene actio negatoria bepalen, dan kunnen de bij het eerste middel van cassatie genoemde wetsartikelen niet zijn geschonden, en is dus het dispositief van het arrest, betrekkelijk haren primairen eisch en conclusie, waarin zij niet ontvankelijk is verklaard, wel en te regt gewezen.
,,Wat is er nu van het derde middel van cassatie? De eischeresse vermeent dat artikel 56 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering geschonden is, omdat zij in de kosten van eersten aanleg veroordeeld is. Naar mijn inzien is zij daarin te regt veroordeeld. In eersten aanleg heeft de regter geen onderzoek ingesteld naar de secundaire vordering, maar zich alleen bij de primaire bepaald, welke hij heeft toegewezen. In hooger beroep is dat vonnis vernietigd en is de eischeresse in hare primaire vordering niet ontvankelijk verklaard, zij is dus daarin in het ongelijk gesteld en moest dus noodwendig in de kosten veroordeeld worden.
,,Ik geloof dus dat ook dit middel ongegrond is, en concludeer derhalve tot verwerping van den eisch tot cassatie, met veroordeeling van de eischeresse in de kosten.”

ARREST
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,

,,Partijen gehoord;
,,Gehoord het Openbaar Ministerie in deszelfs conclusiën, uitgebragt bij monde van den Advocaat-Generaal Gregory, tenderende tot verwerping der voorziening in cassatie;
,,Gezien de stukken,
,,Overwegende, dat, welke ook de beschouwingen bij het beklaagde arrest over de kracht en het gevolg eener toegewezene recredentie, uitgesproken bij eene sententie van den Hoogen Raad van Holland en Zeeland in den jare 1746, mogen zijn, in allen geval bij dat arrest is aangenomen, dat de verweerderesse of hare auteuren door die recredentie zijn gekomen of gevestigd in het bezit van de uitoefening van het collatieregt in verschil, 't geen trouwens op zich zelf niet is betwist, en dat dan ook op dien grond, zoowel in eersten aanleg als in appel, dat regt aan haar is toegekend ten aanzien van den laatst beroepen predikant,
,,Overwegende, dat ook dan wanneer die recredentiale in bezitstelling alleen als gevende een provisioneel bezit, geenszins als eigenaar, maar als sequester of provisionele beheerder moet beschouwd worden, en dus niet als bekwaam om eigendom door verjaring te doen acquireren, niettemin de verweerderesse daaruit niet kon worden verstooten, anders dan 't zij door eene te niet doening dier recredentie in het plenair possessoir, 't geen door der eischeresse predecesseuren niet is vervolgd, 't zij door eene actie ten petitoire, en dat deze dan ook in casu door de eischeresse is ingesteld, maar dat alsdan ook aan haar als eischeresse ontwijfelbaar de last incumbeerde om haar beter regt ten petitoire te bewijzen, en zij zich daarvan niet konde ontlasten en dien last van bewijs op de verweerderesse overbrengen, alleen door de quasie instelling eener negatoire actie, en dat mitsdien, ook dan wanneer bij 's Hofs beschouwingen meer kracht aan de sententie van recredentie in geschil is gegeven, dan daaraan regtens toekwam, nogtans door het dispositief van 's Hofs arrest, de in de eerste plaats ingeroepene schending der artikelen 1903 en 639 van het Burgerlijk Wetboek niet heeft plaats gehad, vermits door het Hof in facto is aangenomen, dat door de eischeresse zoodanig beter regt niet is bewezen, en dat alzoo het eerste middel van cassatie niet is aannemelijk;
,,Overwegende, dat door deze beschouwing de in de tweede plaats beweerde schending van een aantal wetsartikelen uit onze vroegere en latere wetgeving en uit het Romeinsche regt op den aard eener recredentie, reeds derzelver toepassing voornamelijk missen, en wel kunnen leiden om de onjuistheid van sommige overwegingen van het Hof omtrent het regtskundig gevolg en de kracht eener recredentiale sententie te betoogen, maar geenszins om het dispositief van 's Hofs arrest te doen casseren, daar dat dispositief niet enkel op meergenoemde recredentiale sententie, maar ook op andere bewijsmiddelen der verweerderesse voor haar beter regt is gegrond, welker beoordeeling was facti, en die in cassatie niet nader kunnen worden onderzocht;
,,Overwegende, dat wel de eischeresse, om haar beter regt te doen uitkomen, zich heeft gegrond op de stelling, dat in den regel het predikants-beroep toekomt aan de kerkenraden, en alleen bij exceptie aan collatoren, en dat aan deze laatsten dus geheel het onus probandi zoude incumberen, doch dat die stelling bij 's Hofs arrest niet is aangenomen, maar veeleer bij de eerste overweging van het arrest is verworpen, terwijl ook dan wanneer die regtsbeschouwing ware erroneus, daardoor wel in zooverre verkeerdelijk zou zijn geoordeeld, maar geene wetschennis zoude plaats hebben, daar op dat punt geene wettelijke bepaling bestaat, noch door de eischeresse is ingeroepen;
,,Overwegende ten aanzien van het derde middel, op het stuk der veroordeeling in de kosten, als ware daardoor artikel 56 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering geschonden, dat zeker volgens dat artikel de kosten ook van eersten aanleg door het Hof zouden hebben kunnen zijn gecompenseerd, vermits de toewijzing der subordinate vordering, en vermits alzoo kan geacht worden, dat de eischeresse ten deele in het gelijk, ten deele in het ongelijk ware gesteld, doch dat het voorschrift van artikel 56 op dit punt is ten eenemale facultatief en niet imperatief, zoodat ook dat artikel niet is geschonden;
,Verwerpt den eisch tot cassatie door de eischeresse gedaan, en veroordeelt dezelve in de kosten.”

Ontleend aan: J. van den Honert THz., Verzameling van arresten van den Hoogen Raad der Nederlanden, gemengde zaken achtste deel 1850, p. 130-148.

Terug naar collatierecht Uitwijk.
Terug naar procedure rechtbank.
Terug naar procedure Hof.



Deze website gebruikt cookies.