Collatierecht Uitwijk, procedure hof


PROVINCIAAL GEREGTSHOF VAN ZUID HOLLAND.
(BURGERLIJKE ZAKEN.)
Teregtzitting van 12 Mei 1847.
Voorzitter: Mr. J. A. BRAND.
ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE ROTTERDAM.
Teregtzitting van 23 Junij 1845.
Is het regt van collatie, door Ambachtsheeren uitgeoefend, als afkomstig uit het leenregt, afgeschaft, of als een bijsonder eigendomsregt met de tegenwoordige orde van zaken bestaanbaar? In laatstgenoemden zin beslist.
Is het voor bezit vatbaar? Ja.
In hoe verre kan uit eene sententie van recredentie onder het Oud-Hollandsche Regt van zoodanig bezit blijken?
Is de wijze van uitoefening van het regt van collatie, zoo als zij door het Besluit van 26 Maart 1814 (Staatsblad no. 20), geregeld is, door het later Besluit van 1 Febr. 1815 (Staatsbl. no. 15), op eene wettige wijze veranderd, of wel is het laatstgenoemd Besluit als niet-verbindend te beschouwen? In laatstgenoemden zin beslist.
Vrouwe C. C. Crooswijk, Wed. W. van Wageningen, appellante, (Proc. Mr. J.G.A. Clant) ca. De Gereformeerde Gemeente te Uitwijk en Waardhuizen, vertegenwoordigd door den Kerkenraad dier Gemeente, geïntim., (Proc. Mr. G. van der Jagt, Wz.).
In het begin van het jaar 1843 is, door en ten gevolge van het Emeritaat van den Predikant der Hervormde Gemeente van Uitwijk en Waardhuizen, Provincie Noord-Braband, aldaar eene vacature ontstaan, en bij die gelegenheid op nieuw gerezen het, gedurende omstreeks eene eeuw gerust hebbende, doch uit vroegere tijden bekende geschil tusschen de eigenaars der Ambachtsheerlijkheid en den Kerkenraad, omtrent het jus patronatus, of het regt van collatie, door die eigenaars uitgefend of bezeten. Daar dat geschil, noch door eenige minnelijke aanbiedingen van de zijde der appellante, als tegenwoordige Ambachtsvrouw, noch door den invloed en de tusschenkomst van het door den Kerkenraad ingeroepen administratief gezag kon worden uit den weg geruimd, is door gemelde Ambachtsvrouw, bij acte van 1 Julij 1843, overgegaan tot eene benoeming, ter vervulling van de gemelde vacature. Doch daar de Kerkenraad zich met die benoeming niet vereenigd en geweigerd had op die collatie het beroep te doen, is hetzelve beroep, op den 12den September daaraanvolgende, loco den Kerkenraad, gedaan door het Klassikaal Bestuur van Heusden.
De Gereformeerde Gemeente te Uitwijk en Waardhuizen, vertegenwoordigd door den Kerkenraad, en daartoe geautoriseerd door het Provinciaal Collegie van Toezigt op de Kerkelijke Administratie van Noord-Braband, heeft, na bekomene verdere autorisatie van de Arrondissements-Regtbank te Rotterdam, om kosteloos te procederen, bij exploit van 16 Mei 1844, en op grond van onderscheidene daarbij omschrevene middelen, voor gemelde Regtbank gedagvaard de appellante in deze, als tegenwoordige Ambachtsvrouw van Uitwijk; en zulks, om, bij vonnis van gemelde Regtbank, te hooren verklaren, dat aan haar, appellante, aldaar gedaagdesse, geenszins toekwam het regt, om voor de Gemeente van Uitwijk en Waardhuizen eenen Predikant te benoemen, dat daarentegen dat regt toekomt aan die Gemeente, met al de wettelijke gevolgen van dien, om door dezelve Gemeente, of den Kerkenraad, haar vertegenwoordigende, te worden uitgeoefend overcenkomstig.de voorschriften der Wet; en voorts, subsidiair, dat de gedaagdesse, in deze hare betrekking, tot die verkiezing en benoeming niet anders was bevoegd dan uit een dubbeltal, daartoe door den Kerkenraad geformeerd en aangeboden, en zoo als daarbij nader is uitgedrukt.
Voor de gedaagdesse, thans appellante, is hiertegen preliminair en bij exceptie beweerd, dat door de eischeresse niet konde worden geageerd, gelijk door haar is geschied, en ook niet als vertegenwoordigd door den Kerkenraad, maar dat deze zulks had behooren te doen op zijnen naam; en voorts, dat de eischeresse, zoowel in hare primaire als in hare subsidiaire conclusie zoude worden verklaard niet-ontvankelijk, en dezelve aan haar zoude worden ontzegd, met veroordeeling, om de kosten te betalen uit de goederen der Gemeente, of door de leden van den Kerkenraad uit derzelver privé-beurs, zoo als de Regter dit zoude arbitreren.
Na verdere wisseling van dingtalen is door de Arrondissements-Regtbank te Rotterdam, bij vonnis van 23 Junij 1845, op de pleidooi van Mr. A. Veder , voor de eischeresse, en van Mr. H. J. van Buren , voor de gedaagdesse, eerstelijk, verworpen de door deze laatste voorgestelde exceptie, en wijders, daarbij afwijkende van de conclusiën van het Openbaar Ministerie bij dezelve Regtbank, verklaard, dat aan de gedaagdesse, in hare betrekking van Ambachtsvrouw van Uitwijk, geenszins toekwam het regt, om voor de Gemeente van Uitwijk en Waardhuizen eenen Predikant te benoemen, maar dat daarentegen dat regt toekomt aan die Gemeente, met al de wettelijke gevolgen van dien, om door dezelve Gemeente, of door den Kerkenraad haar vertegenwoordigende, te worden uitgeoefend, overeenkomstig de voorschriften van de Wet, met ontzegging van het meerder of minder geëïschte, zonder daarbij over het subsidiair geëischte te beslissen, en met veroordeeling van de gedaagdesse in de kosten van het regtsgeding.
De gronden luiden als volgt:
«Overwegende, wat de vooraf genomene exceptie betreft, dat de woorden: Hervormd en Gereformeerd, in den zin ten deze gebezigd, naar overoud spraakgebruik, zijn eensluidend;— dat voorts uit de overgelegde autorisatie van het Provinciaal Collegie van Toezigt over de Kerkelijke Administratie der Hervormden in Noord-Braband, dd. 4 October 1843, blijkt, dat, nominatim, de Hervormde Gemeente van Uitwijk en Waardhuizen is gemagtigd; — terwijl eindelijk, de bijvoeging in de dagvaarding, dat deze Gemeente door haren Kerkenraad wordt vertegenwoordigd, zich allezins regtvaardigen laat door de bepaling van art. 1698, Burg. Wetb.;
«Overwegende, dat, daar alzoo de voorgestelde exceptie, als ongegrond, wegvalt, de primaire vordering der eischers thans het onderwerp van 's Regters onderzoek moet uitmaken;
«Overwegende, te dezen opzigte, dat vóór alles behoort te worden opgemerkt, dat, in den regel, iedere kerk geacht wordt vrij, dat is, niet aan het patronaatregt onderworpen, te zijn; — dat, gelijk zulks in den aard der zaak ligt, het alzoo ook reeds vóór de Hervorming, volgens het Pausselijke Regt, vaststond: leerende de Ganonisten: «Omnes ecclesiae a jure patronatus liberae ex-istunt, ipsnaique jus patronatus ut quaedam servitus ecclesiae imposita conasideratur,"— dat, na de Hervorming, hierin geene verandering heeft plaats gehad, zijnde slechts, terwijl het eens verkregen regt aan de wettige eigenaars verbleef, de uitoefening daarvan naar de nieuwe omstandigheden gewijzigd;
»Dat, wal betreft de bewering der gedaagdesse, als ware het patronaatregt altoos in de ambachtsheerlijke regten begrepen geweest, zulks niet alleen geheel onbewezen, maar blijkbaar ongegrond is, als zijnde het overbekend, dat de heerlijke regten uit eene ganseh andere bron zijn gesproten dan het jus patronatus, gelijk er dan ook zoo weinig noodwendig verband tusschen beide bestaat, dat er zelfs vele Ambachtsheeren zijn, die het patronaatregt niet bezitten;
«Overwegende, dat, daar alzoo iedere kerk regtens geacht wordt, vrij te zijn, het met de gezonde rede strijden zoude, indien men van eene Gemeente, die deze vrijheid inroept, vorderde, dat zij dezelve nog door andere middelen staafde, of wel het negatieve bewijs leverde, dat de Ambachtsheer niet eigenaar is van het collatieregt; maar dat integendeel als onbetwistbaar mag gelden, dat elk, die eene Gemeente deze vrijheid ontzegd wil hebben en zich zelven eigenaar van het collatieregt beweert, deze bewering met deugdelijke bewijzen behoort te ondersteunen;
«Overwegende, dat, als men de voorgaande redenering toepast op het onderhavige geschil, het hier louter de vraag wordt, of de Ambachtsvrouw, gedaagde in deze, voldoende bewijst, dat haar het regt van collatie toekomt, en alzoo de algemeene regel, omtrent het vrije der kerk, hier voor de bestaande exceptie moet wijken?
«Overwegende, ten aanzien dezer vraag, dat het alle opmerking verdient, dat de gedaagdesse ten processe geenszins tot hare justificatie inroept, veelmin overlegt, eenigen titel of fundatie van verlij, constaterende, dat hare voorgangers aanvankelijk van de bevoegde magt het patronaatregt van Uitwijk zouden hebben verkregen; — terwijl het overigens wel geen twijfel lijdt, dat de zoodanige titel niet kan worden vervangen door de, van de zijde der gedaagdesse, geproduceerde acte van koop der Heerlijkheid en de willige condemnatie van den jare 1725, bij welke acte van koop, onder het verkochte, ook het collatieregt van Uitwijk wordt vermeld;— dat toch, eensdeels, vaststaat, dat geen verkooper meer regt, dan hij zelf blijkt te hebben, aan een' kooper kan overdragen, terwijl anderdeels, wat de hier ingeroepen willige condemnatie aanbelangt, dezelve ook, als in deze alleen tusschen den kooper en verkooper gevallen, regtens niet kan praejudiciëren aan eenen bekenden belanghebbenden en protesterenden derde, met name aan de Gemeente van Uitwijk;
«Overwegende, al verder, dat de gedaagdesse ook niet beweert door verjaring eigenares van dit regt te zijn geworden, veelmin de exceptie van praescriptie voorstelt, welke in dat geval, als door den Regter niet kunnende aangevuld worden, door haar zon moeten zijn in het midden gebragt;
«Overwegende, dat de gedaagdesse in hare conclusies wel spreekt van een langdurig ongestoord bezit van het regt van collatie, en, op grond van dien, van alle bewijs harerzijds wenscht ontslagen te zijn, doch dat, daargelaten de vraag, of zoodanig bezit, zonder daarop gegronde praescriptie, hier ten petitoire ooit als volledig eigendomsbewijs zou kunnen gelden, dit althans zeker, is, dat de gedaagdesse, die dan toch in allen gevalle zoodanig beweerd bezit zou dienen te bewijzen, hetzelve in het onderhavige proces niet bewezen heeft;
«Dat immers, wat aanbelangt de mandamenten van maintenue, door de gedaagdesse overgelegd, het uit het Oude Regt bekend is, dat deie regtsmiddelen, waarmede het geding in cas possessoir aanving, geene vonnissen waren, waarbij de possessie aan den impetrant werd geadjudiciëerd, maar in effecte slechts geregtelijke antorisatiën, periculu petentis, op diens, eenzijdige voorstelling verleend, en strekkende om eenen Deurwaarder te magtigen tot het exploiteren eener insinuatie en dagvaarding aan de tegenpartij; terwijl eerst bij het niet-verschijnen der gedaagdesse op deze dagvaarding, tegen dezelve defaut en eene sententie van recredentie geobtineerd kon Worden;
«Dat, wat betreft de sententie van recredentie zelve, gelijk er eene van den Hoogen Raad, dd. 4 Hei 1846, in het proces is, het almede vaststaat, dat dezelve niet meer waren dan provisionneele beschikkingen, waarbij aan de partij, die ze verwierf, voorloopig het genot en momentaneele bezit der litigieuse zaak werd toegestaan , immers slechts voor zoo lang, tot dat omtrent het volle en definitieve bezit, ten plenair possessoir, gelijk men het noemde, zoude zijn uitspraak gedaan; weshalve de sententie van recredentie niet werd voorafgegaan van eene volledige instructie der eigenlijke possessoire quaestie, noch van eene contradictoire uiteenzetting der bewijzen van bezit, maar, na een zeer summier onderzoek, op den meest schijnhebbenden titel van possessie, den titulvs apparentior ot den titulus coloratus werd gewezen;
«Overwegende, dat almede uit dien hoofde de Regtschrijvers, wanneer zij aan het genot, bij de recredentie voorloopig toegekend, den naam van bezit geven, dit bezit omschrijven als eene possessio momentaneu, eene possessio fiduciaria et velvti depositoria, wordende dienovereenkomstig de recredentiarius regtens geacht, niet animo domini voor zich zelven te bezitten, noch voor zich te kunnen praescriberen, maar blootelijk bij provisie te detineren, en, behoudens restitutie in cas van verlies van het proces ten principale, inmiddels de vruchten te trekken van het litigieuse goed, voor welks vol en wettig bezit eerst later, na een meer tijdvorderend en diepergaand onderzoek, ten plenair possessoir zou worden beslist;
«Overwegende, dat dus, wel verre van daar, dat de gedaagdesse van een langdurig ongestoord bezit zou hebben doen blijken, integendeel uit de overgelegde, steeds tegengesproken mandamenten van maintenue valt af te leiden, dat van ouds, telkens als de gelegenheid zich opdeed, de Gemeente vrijheid van beroep beweerde, en aan den Ambachtsheer of Vrouw het bezit van het collatieregt betwistte, gelijk ook overeenstemt met de overgelegde extracten uit de notulen van het verhandelde bij den Kerkenraad van Uitwijk en Waardhuizen, ter gelegenheid van verschillende vacatures;
«Overwegende, wat wijders aangaat de meergemelde sententie van recredentie van 1748, dat uit dezelve dit alleen volgt, dat te dien tijde aan den predecesseur der gedaagden niets anders is toegekend, dan het regt, om tot tijd en wijle er ten plenair possessoir over het definitief bezit, of ten petitoire over den eigendom zou zijn uitspraak gedaan, inmiddels het genot van de litigieuse zaak te hebben, en alzoo (ongepracjudiciëerd de principale quaestie) bij provisie het jus patronatus te mogen uitoefenen;
«Overwegende, dat, zoo nu al in 1746 de toenmalige eigenaar der Ambachtsheerlijkheid van Uitwijk, en bij vervolg van tijd zijne successeuren, uit kracht en zelfs met aanhaling dezer sententie van recredentie, Predikanten hebben benoemd, gelijk ten processe blijkt geschied te zijn, deze sententie daarom toch niet van nature veranderd, noch van provisioneel omtrent het genot, definitief op de possessie geworden is;
»Dat dienvolgens ook deze benoemingen regtens niet kunnen gelden als daden van wettig en ongestoord bezit, noch het vermogen hebben om eenige praesumtie van eigendom van het collatieregt ten gunste der gedaagdesse te vestigen, hebbende ook de Gemeente dezelfde benoemingen nooit als zoodanig te duchten gehad, daar de steeds gedane vermelding der recredeutie, uit kracht waarvan zij geschieden, als het ware de gestadige betuiging inhield, dat zij niet meer waren dan daden van provisionneel genot, en er dus geene quaestie konde wezen van door stil te zwijgen in een definitief bezit te acquiësceren;
«Overwegende, dat uit al het voorgaande duidelijk blijkt, dat, terwijl de eischeresse in haar voordeel heeft de geregtelijke presumtie van niet onderworpen te zijn aan het collatieregt, de gedaagdesse, welke voor zich dit regt beweert, en dus dus deze bewering moet bewijzen, verreweg in dit bewijs is te kort geschoten;
«Overwegende, dat in dien stand der zake het overbodig zijn zoude te onderzoeken, welke argumenten ten gunste van der eischeresses aanspraak op vrij beroep: 1°. uit de door haar overgelegde extract-resolutie der Staten van Holland en West-Vriesland, dd. 10 Julij 1806, waarbij aan de inwoners en gemeente-naburen van Uitwijk en Waardhuizen wordt geaccordeerd een Kerkedienaar (d.i., volgens het toenmalig spraakgebruik, een Predikant) tot Uitwijk beroepen te mogen worden; en 2°. uit het Werk, getiteld: De Oudheden en Gestichten van het regie Z.-Holland en van Schietend, Amsterdam 1719, welks Schrijver (blz. 208—220) de Parochie-Kerk van Uitwijk vermeldt, als oudtijds ter begeving staande van den Proost der St. Salvador'skerk te Utrecht, dat is, met andere woorden, niet aan het jus patronatus laïcale van een' wereldlijken persoon, maar aan het jus patranatus ecclesiasticum van eene Proostdij ouderworpen;
«Overwegende, dat er alzoo genoegzame redenen aanwezig zijn, om aan de eischeresse hare gedane vordering toe te wijzen, met uitzondering nogtans van dat gedeelte derzelve, waarbij zij, eischeresse, concludeert, dat de door de gedaagdesse gedane benoeming zal worden verklaard nietig en van onwaarde, immers, dat dezelve geen verder effect zal sorteren; — dat toch deze benoeming, gelijk zij, eischeresse, zelve erkent, is geschied uit kracht der meergemelde sententie van recredentie van 1746, welke sententie, naar den regtsregel, die alle provisionneele vonnissen effect laat sorteren, tot dat definitief over het geschil is beslist, aan de gedaagdesse ongetwijfeld de bevoegdheid gaf, om, ook hangende het onderhavige proces, het genot der litigieuse zaak te hebben, en dos, bij provisie, het collatieregt nog uit te oefenen;
«Overwegende eindelijk, dat, na deze oplossing der primaire quaestie des gedings, het onderzoek omtrent de gegrondheid der secundaire quaestie van zelf noodeloos wordt, enz."

Van dit vonnis is de gedaagdesse voor het Hof van Zuid-Holland gekomen in hooger beroep, voor zoo verre daarbij was verklaard, dat niet aan haar, Ambachtsvrouw, maar integendeel aan de Gemeente of aan den Kerkenraad toekwam het regt van benoeming van eenen Predikant, en zij, appellante, voorts was verwezen in de kosten. Vervolgens is van hare zijde gediend van eene memorie van bezwaren, bij welke, met herhaling van hare reeds in eersten aanleg genomen conclusiën, alsnog uitdrukkelijk is voorgesteld de exceptie van verjaring, op welk een en ander van de zijde der geïntimeerde is gediend van eene memorie van antwoord, mede met herhaling der conclusiën in eersten aanleg gebezigd.
Wij deelen de uitspraak van het Hof, ten aanzien van het regt, in haar geheel mede:
»Overwegende vooraf, dat het regt van collatie of benoeming van eenen Predikant, gelijk hetzelve hier te Lande meestal behoorde tot- en begrepen was onder de regten aan vrije en Ambachtsheerlijkheden verbonden, reeds onder het Oud-Hollandsch Regt werd beschouwd, en op heden, naar aanleiding van de omtrent heerlijke regten bestaande verordeningen, alsnog beschouwd wordt als geene gemeenschap meer hebbende met de oude Feodale Regten, maar als te zijn juris privati, en als gelijk slaande met alle andere regten van eigendom, terwijl hetzelve zich voorts bepaalt tot de keuze en de benoeming van eenen Predikant, en daarna het beroep zelve, als eene kerkelijke daad, uitgaat van den Kerkenraad, en behoort tot de attributen van het kerkelijk gezag;
«Overwegende verder, en ten opzigte van de primaire conclusie en vordering van de geïntimeerde, eischeresse in eersten aanleg, en op welke alleen door den eersten Regter is regt gedaan, dat van hare zijde aanvankelijk is beweerd een regt van vrij beroep, en tot staving daarvan door haar is overgelegd eene resolutie van de Staten van Holland en West-Vriesland, van 10 Julij 1806, houdende, dat aan de inwoners en gemeente-naburen van Uitwijk en Waardhuizen, op het advijs van den Ontvanger, werd toegestaan het beroepen van eenen Kerken-Dienaar voor beide plaatsen, op den voet als voor andere Dienaars ten platten Lande, de kerken zonder combinatie bedienende, doch dat in die resolutie, welke, zoo als het schijnt, vooral op geldelijke overwegingen is gegrond geweest, niets gevonden wordt omtrent de vraag, door wien de benoeming van den Kerkendienaar zoude moeten geschieden, zoodat uit dit stuk niets tot bewijs van dat beweren kan worden afgeleid;
«Overwegende, dat ook van de zijde der appellante, origineele gedaagdesse, geen oorspronkelijken titel, dadelijk dienende tot vestiging van een eigendomsregt, ten processe is overgelegd, maar dat door haar alleenlijk is aangedrongen op een bezit, in eene gecontinueerde uitoefening van het regt van collatie, gedurende meer dan twee eeuwen, bij hare voorgangers in de Ambachtsheerlijkheid van Uitwijk, bestaan hebbende;
«Overwegende, dat ten bewijze hiervan door de appellante lijn overgelegd, behalve een Leenboek van den Huize van Uitwijk van anno 1681, eenige stukken van dan jare 1544, een mandament van maintenue van het jaar 1658, en eene acte van aanneming, belofte van den jare 1669, en al zoo anterieur aan de Hervorming hier te Lande, inzonderheid nog (hier volgt eene optelling van onderscheiden rekeningen, koopbrieven, enz.) en een mandament van maintenue, geïmpetreerd, den 27sten April 1745, en opgevolgd van eene sententie van recredentie, van den Hoogen Raad in Holland, van den 28sten Mei 1746; uit welke stukken blijkt, dat het onderwerpelijk regt van collatie, wel gedurende al die tijden is geweest een twistappel tusschen de eigenaars der Heerlijkheid en den Kerkenraad, en dat het regt zelve van den eigendom niet finaal en absoluut is uitgemaakt, doch tevens, dat het bezit en de uitoefening van dat regt, hetzij dan door minnelijke submissie, hetzij door het ten petitoire onvervolgd blijven van possessoire regtsmiddelen, steeds is verbleven aan de zijde van de eigenaars der Heerlijkheid;
«Overwegende, dat de zoo even vermelde sententie van recredentie, als behelzende de laatste regterlijke cognitie over dit onderwerp, alhier als genoegzaam kan worden aangemerkt ter nadere beschouwing van het geschil;
«Overwegende, dat uit de overgelegde stukken deswege is gebleken: dat, op de significatie van het in dato 27sten April 1745, periculo petentis, door den Hoogen Raad van Holland, Zeeland en West-Vriesland verleende mandament van maintenue, welke significatie op den 1sten Mei 1746, namens de impetrante was geschied, tegen den 18den dier maand zijn gedagvaard Ouderling en Diaconen van de Gemeente van Uitwijk; — dat, ten dage dienende, Willem Hoijer, als Procureur van de voornoemde gedaagden, heeft dag genomen tegen 14 dagen; — dat daarop van de zijde dier gedaagden, op grond van hunne daarbij gebezigde middelen, het interdict is geredoubleerd, en eisch gedaan, in reconventie, welke reconventie wederom is beantwoord met eene contrarieconclusie, en waarna door partijen, zoo in conventie als in reconventie respectievelijk is gepersisteerd voor re- en dupliek; — en dat vervolgens, bij sententie van den 28sten Mei 1746, door gemelden Hoogen Raad, op het rapport van Commissarissen uit denzelven, aan de impetranten in conventie is toegewezen de door hun verzochte recredentie, en in reconventie is verklaard, dat er voor de eischers in dat cas geene provisie valt;
«Overwegende, dat, naar het Hollandsche Regt en de toenmalige praktijk, zoowel als naar de leer der Regtsdoctoren, eene zoodanige sententie van recredentie niet werd toegewezen, dan in judicio centradictorio, dat ook bepaaldelijk in materie possessoir van patronaatschap en dergelijke possessoire quaestiën, door de impetranten aan de gedaagden moesten worden gegeven copiën van hunne titels, dat aldus, om de recredentie te verkrijgen, aan den Raad moest blijken van eenen titulus apparentior, ten einde te kunnen dienen tot handhaving van de oudste en het getituleerde possessie, en dat eindelijk, hoezeer aan den gedaagde nog altijd overbleef het regt en de faculteit, om, op grond van beteren titul, op het plenair possessoir voort te procederen, alsmede om later andermaal ten petitoire regt te vragen, desniettemin, ten gevolge en uit kracht van zoodanige sententie van recredentie, alle turbatiën moesten worden afgedaan, en tot zoo lang toe bleven verboden en geïnterdicieerd;
«Overwegende, dat alzoo dit laatste regterlijk oordeel het bewijs met zich brengt, dat de eigenaar der Heerlijkheid destijds, door den hoogsten Regter, op grond van zijne overgelegde bewijzen, is aangemerkt te hebben, voldoende titul van bezit, dat de Kerkenraad destijds ook niet is in staat geweest, van zijne zijde, van beteren titul te doen blijken, en dat uit dit gebeurde dus ook almede behoort te volgen, dat de algemeene thans nog door denzelven ingeroepene regel van een steeds gepresumeerd vrij beroep, den gemelden Kerkenraad tegen deze inspraak van den Regter niet heeft kunnen te stade komen;
«Overwegende, dat het al verder ten processe is gebleken, dat de gemelde Kerkenraad tegen die sententie van recredentie niet verder heeft voortgeprocedeerd, maar zich integendeel daaraan heeft onderworpen, en dat vervolgens, hij eene acte van den 30sten Julij 1747, door denzelven is verklaard, dat het inmiddels gedaan beroep van eenen anderen Predikant, als eene turbatie aan de impetrante in hare possessie vel quasi aangedaan, nu door den Kerkenraad was aangedaan, en dat beroep gehouden wordt voor niet geschied;
«Overwegende, dat eindelijk ten processe nog is aangetoond, dat van dien tijd af bij al de latere benoemingen, tot welke de in de jaren 1777, 1779, 1781, 1784, 1788 en 1789 ontstane vacatures de gelegenheid gegeven hebbende, daarin door den toenmaligen Ambachtsheer is voorzien, en het regt van collatie door hem bij zoo vele acten successievelijk is uitgeoefend, terwijl dit, blijkens genoemde acten, door hem is gedaan: eerstelijk, volgens de aloude voorbeelden en het voetspoor van zijne voorzaten, en vervolgens specialijk bovendien als ingevolge en uit kracht van bovengemelde sententie van recredentie daartoe geregtigd zijnde;
«Overwegende, dat de Kerkenraad bij de eerste der genoemde vacatures, in 1777, zonder eenige verdere vermelding in hare notulen, de collatie van den Ambachtsheer heeft gevolgd, maar bij eene volgende, in den jare 1779, in die notulen heeft geïnsereerd eene voorbehouding en protest van non-prejudicie, omtrent deszelfs sustenue en regt, zoo ten plenair possessoir als ten petitoire; doch dat zulks zijnde gebleven zonder eenig verder gevolg, en daarna nog viermalen en bij vier latere vacatures het regt van collatie door den Ambachtsheer zijnde uitgeoefend, zonder dat door den Kerkenraad iets daartegen is in het midden gebragt, deze enkele tusschentijds gedane insertie in een Privaat notulen Boek, door dit Hof niet kan beschouwd worden als te zijn van eenige beteekenis;
«Overwegende, dat sedert 1789 geene vacature zijnde ontstaan, en daardoor gedurende een tijdsverloop van 54 jaren geene benoeming zijnde benoodigd geweest, partijen moeten geacht worden tusschentijds, ten aanzien hunner handelingen, tot op het, in 1843, verleende Emeritaat, in dezelfde regtsverhouding te zijn gebleven;
«Overwegende, dat alsnu uit dit een en ander volgt, dat, van af [sedert] de verleende sententie van recredentie, voor den Kerkenraad, in deszelfs vermeend belang, niet anders overbleef, dan op het plenair possessoir, of ook ten petitoire dat belang voor te staan en te doen gelden, en dat hij dit niet gedaan hebbende, maar integendeel bij ieder later beroep daarin hebbende geacquiesceerd, is geweest en gebleven onbevoegd, om de tituls van bezit, waarop die sententie destijds verleend is, alsnog, gelijk van die zijde beweerd is, blootelijk actione negatoria te kunnen betwisten;
«Overwegende, dat de cognitie van het Hof zich al zoo te dezen zou hebben kunnen bepalen tot eene verklaring van niet-ontvankelijkheid van de geïntimeerde in hare origineele ingestelde actie, ware het niet, dat door de appellante, thans in hooger beroep, uitdrukkelijk mede wordt regt gevraagd op de verkregen verjaring;
«Overwegende daaromtrent, dat, naar de beginselen van het Oud-Hollandsch Regt, hierboven reeds vermeld, het regt van collatie, even als andere private regten, geacht moet worden door verjaring te kunnen worden verkregen;
«Overwegende, dat het regt van benoeming niet anders kunnende worden uitgeoefend dan bij eene vacature, en, tot aan den jare 1843, geene andere vacature dan de reeds vermelde hebbende bestaan, het in deze daarvoor mag gehouden worden, dat bij de eigenaars der Ambachtsheerlijkheid van Uitwijk, van af [sedert] den jare 1746 tot den jare 1843, en alzoo gedurende omstreeks 100 jaren, heeft bestaan het ongestoord bezit en de onbetwiste uitoefening van hun voormeld regt, en dat mitsdien ten deze de langst mogelijke verjaring is vervuld;
«Overwegende, dat alzoo de voorgestelde exceptie van verjaring ook ten deze volkomen toepasselijk, en de appellante, om al deze gronden geacht moet worden bij het vonnis van den eersten Regter, zoowel op de zaak zelve, als op het punt der kosten te zijn bezwaard;
«Overwegende alsuu, ten opzigte van het secundair punt van onderzoek: dat de geïntimeerde, voor het geval, dat het Hof mogt vermeenen hare primitieve vordering niet te kunnen toewijzen, subordinaat heeft geconcludeerd, dat de appellante in allen gevalle, in hare betrekking van Ambachtsvrouw van Uitwijk, tot de verkiezing en benoeming van eenen Predikant niet verder of anders is bevoegd, dan uit een dubbeltal, daartoe door de Gemeente of Kerkenraad geformeerd en aangeboden, tot welke formatie en aanbieding de geïntimeerde zich voor dit geval bereid verklaard;
«Overwegende, dat het ten processe blijkt, en niet wordt ontkend, dat de Predikant van Uitwijk niet uit kerkelijke fondsen, maar uit subsidiën van 's Lands kas wordt bezoldigd;
Overwegende, dat, bij Besluit van den Souvereinen Vorst, van 26 Maart 1814 (Staatsbl. n°. 80), waarbij, integenstelling van in dit Rijk toen bestaande wettelijke verordeningen, het regt van collatie weder aan de eigenaren van Heerlijkheden is toegekend, — bepaald is, dat, waar zulke subsidiën plaats hebben, de electie uit een dubbeltal, door de Gemeenten of Kerkenraden geformeerd, door de voormalige geregtigden zal gedaan worden; — dat die toen nog provisionneele bepalingen, welke, blijkens de art. 5 en 12 van het Besluit, nader zouden kunnen worden herzien, en in verband gebragt met de in te voeren Grondwet, na de invoering dier Grondwet, bij besluit van 28 September 1814 (Staatabl. n°. 4), zijn verklaard te zijn in werking en verpligtend, van den 1sten November, toen eerstkomende, af;
«Overwegende, dat, wel is waar, bij een later Besluit, van 1 Febr. 1815 (Staatsbl. n°. 15), op verzoek van eenige eigenaren van Heerlijkheden, dat regt aan de gesubsidieerde Gemeenten toegekend, is ingetrokken, en de collatie, ook zonder voorafgaande nominatie, verleend aan die eigenaren, doch dat deze intrekking van toegekende en uitgeoefende regten niet kan geacht worden op wettige wijze te hebben plaats gehad, daar toch het voorbehoud, vervat in de art. 6 en 12 van meervermeld Besluit, van 26 Maart 1814, evenmin als het voorbehoud van het later Besluit, van 28 September 1814, zich niet konde uitstrekken buiten den kring der grondwettige bevoegdheid;
«Overwegende nu, dat het hier geldt een regt, waarvan de eigendom door den summus imperans is toegekend, en dat nergens, bij de Grondwet van 1814, aan den Souvereinen Vorst de bevoegdheid is gegeven, om eenig ingezeten of corporatie van het genot daarvan te ontzetten, dat, indien zulks al uit hoofde van het jus circa sacra op eenige wijze en tegen behoorlijke schadeloosstelling konde plaats hebben, dat nimmer anders konde geschieden dan op de wijze, waarop het regt toegekend was, dat is, bij eene kracht van Wet hebbende verordening;
«Overwegende immers, dat het dikwerf vermelde Besluit, van 26 Maart 1814, niet anders kan worden beschouwd, dan als hebbende kracht van Wet, aangezien het, uitgaande van den toenmaligen summus imperans, onderwerpen regelde en bepalingen daaromtrent afschafte, welke bij de Wet waren geregeld en ingevoerd, ook zeer bepaaldelijk, ten opzigte der benoeming van Predikanten, een onderwerp, vóór dat Besluit, geregeld bij de organieke bepalingen van 8 April 1802, bij Keizerlijk Decreet, hier te Lande executoir verklaard, en alzoo niet anders dan bij de Wet kon worden gewijzigd;
«Overwegende dien ten gevolge, dat die wijziging bij de Wet niet hebbende plaats gehad, gezegd Besluit, van 26 Maart 1814, alsnog de grondslag voor 's Regters beslissing in deze moet blijven, en de subordinate conclusiën van de geïntimeerde haar alzoo behooren te volgen;
«Gezien art. 1988, Burg. Wetb.; art. 56, Wetb. van Burg. Regtsv.;
«Regt doende op het hooger beroep, en wel eerstelijk op die primaire eisch en conclusie, door de geïntimeerde in eersten aanleg gedaan en genomen;
«Doet het appèl te niet, mitsgaders het vonnis van de Arrondissements-Regtbank te Rotterdam, op 23 Junij 1845, tusschen partijen gewezen, waarvan en voor zoo verre daarvan is geappelleerd; — verklaart de geïntimeerde in derzelver origineele eisch en conclusie te zijn niet-ontvankelijk; — veroordeelt haar in de kosten in eersten aanleg gevallen;
«Voorts regt doende op de subordinate conclusiën van de geïntimeerde: — verklaart de appellante, in hare betrekking van Ambachtsvrouw van Uitwijk, tot de verkiezing en benoeming van eenen Predikant niet verder of anders bevoegd te zijn, dan uit een dubbeltal, daartoe door de Gemeente of den Kerkenraad benoemd en aangeboden:
«Compenseert de kosten van het hooger beroep.

Ontleend aan: C.A. den Tek en J. van Hall, Rechtsgeleerd Bijblad, behorende tot de Nederlandsche jaarboeken voor regtsgeleerdheid en wetgeving, 1847, p. 484-494.

Terug naar collatierecht Uitwijk.
Terug naar procedure rechtbank.
Verder naar procedure Hoge Raad.



Deze website gebruikt cookies.