Hedendaagse Historie of tegenwoordige staat van alle volkeren, deel 17, 1749


Selectie uit "Hedendaagse Historie of tegenwoordige staat van alle volkeren, XVIIde deel, 1749, pag. 280-356 door Isaak Tirion betrekking hebbende op Altena.

Andel
Andel is een Ambagtsheerlykheid met twee Dorpen, die een gemeene Regtbank hebben.

Almkerk
het Platte Land van Altena, waar van ALMKERK het grootste der Ambagten en Dorpen is.
Het heeft zynen Naam van de Rivier of het Water de Alm, die de Ambagten van Emmikhoven en Almkerk van een scheidt en langs het laatstgemelde Dorp zeer vermaaklyk naar het Bergsche Veld Stroomt. Zy plagt, voor den Watervloed van den jaare 1421, zig by Almsvoet in de Oude Maaze te ontlasten, en deelde aan dit en andere Dorpen en Ambagten, die sedert deeze Overstrooming verdronken zyn, insgelyks haaren Naam mede.

Drongelen
Een Oude Heerlykheid, oorspronklyk uit den Huize van Heusden. Heer Jan van Drongelen, eerste Bezitter derzelve, was de Zoon van Jan den VII; en Broeder van Jan den VIII, Heeren van Heusden, wiens Nazaaten veele jaaren agter een Bezitters van Drongelen geweest zyn.
De Heeren Spiering van Wel, uit den Huize van Heusden afkomstig, hadden hier insgelyks weleer een Kasteel, dat niet meer in wezen is.

Dussen
Dussen-Munsterkerk en Dussen-Muilkerk of Mylkerk, doorgaans alleen Dussen genaamd en by veele voor ééne Heerlykheid gehouden, zyn twee onderscheidene Ambagtsheerlykheden, en hebben ieder haaren byzonderen Heere en Regeeringe. Beide leggen zy in een weligen Oord van grasryke Weilanden en vruchtbaare Zaailanden, langs het Water of, gelyk het door veelen genoemd wordt Riviertje de Dussen, waar door de twee Ambagten van een gescheiden worden. Dit Water loopt naar en door den Ippelschen Dyk, die het Land van Altena en de Landen van Dussen tegen den Biesbosch plagt te beschermen.
Dussen was mede in den Grooten Watervloed des jaars 1421 ondergeloopen; doch werdt by verscheiden Gedeelten weder aangewonnen. In den jaare 1628, was het niet lang geleden, dat Munsterkerk weder bedykt werdt (k).
Dussen-Munsterkerk met Heer Arendswaarden, of Heer Aardswaard, legt ten Zuiden aan Nederveen-Kappel, Groot Waspik en Raamsdonk, ten Westen aan Standhaazen of het beloop der Oude Maaze.


Emmikhoven
Emmikhoven, Ganswijk en Waardhuizen zyn drie Heerlykheden, die echter maar éene Rechtbank hebben.
Voorheen hadt Emmikhoven een Dorp; doch thans is het niet meer dan een gehugt zonder Kerk.

Giessen Dit Dorp hadt van ouds al een vrye Jaarmarkt op dezelfde Keure als die te Woudrichem. Zy begon drie dagen voor Sint Margrieten Avond.

Meeuwen
Het Dorp is een deftige welvaarende Plaats, met eenige vry aanzienlyke Huizen, die door welgegoede Ingezetenen bewoond worden.

Rijswijk
De Heeren van Ryswyk in Altena zyn al vroeg in ’s Lands Geschiedenissen bekend. Men leest van Goevelyn van Ryswyk, onder den Hollandschen Graave Floris den IV, die in den jaare 1235, omkwam.

Sleeuwijk
Ruim een vierendeel van een uur gaans boven het Dorp, legt het Veer, van waar men naar Gorinchem wordt overgezet, het welk voor Rytuigen en Paarden met een Zeilpont geschiedt, alzoo de Rivier hier zeer reed is.

Veen
Hier legt de Heusdensche Tol der voorbyvaarende Schepen, na dat hy van Wyk verplaatst werdt.

Werken
Het strekt zig ten Oosten tot aan Sleewyk, gelyk ten Westen tot aan de Bakkers Kille, en is met verscheiden Bedykingen bepolderd, waar van de grootste de Vervoorns Polder genoemd wordt. Hier begint de Oude Zeedyk of Ippelsche Dyk, die voormaals tegen de Wateren van den Biesbosch gemaakt is, en zig tot aan de Oude Maaze uitstrekt.

Werkendam
Het heeft zynen Naam van den Dam, waarmede het Water of de Vliet de Werken was toegedamd, welke nu reeds lang verlooren is. Men noemde het weleer een Burg-Graafschap.
Oudenhoven, die, ontrent den jaare 1654, schreef, getuigt dat het toen, by menschen geheugen, tweemaal was afgebrand (g). Het is een welvaarende Plaats, met een Haven, die zig uitstrekt naar de Merwe, zeer gemaklyk voor de Binnenlandsche Schepen, die hier geduurig af- en aanvaaren. De Ingezetenen geneeren zig met Visschen, Vogelvangen en den Houthak van Willigen op de Grienden, ook woonen hier veel Aanneemers van 's Gemeenelands DykRys- en Polderwerken.

Wijk
De Heeren van Wyk, gesprooten uit het Geslagt van Heusden, waren wel eer Bezitters deezer Heerlykheid, die zy als Jonger Zoonen tot hun verkreegen (b). Men is voorneemens geweest om van deeze Plaats eene Stad te maaken. Van deezen aanleg ziet men tegenwoordig noch de Roying en benaaming van verscheide Straaten: doch deeze onderneeming heeft door verscheide beletselen nimmer zyn beslag gekregen. Wyk is thans egter noch groot en aanzienlyk.

Woudrichem
De Naamsreden wordt door Woutersheim verklaard, naar eenen Wouter, die Heer van Altena zou geweest zyn (s). Anderen vinden 'er. Woudrich- of Woudrykheim in, dat zoo veel als Boschryk zou wezen, en veel overeenkomst hebben met den Naam des Lands Holthena. Gemeenlyk wordt de Plaats Workum of Woerkum geheeten.
De derde Poort heeft haaren uitgang op het Hoofd, dat wel eer ver in de Merwe Plag uit te stecken, maar nu niet boven de twintig Voetstappen buiten de Poort reikt: zelfs zou het gevaar loopen van in 't kort weg te spoelen, indien het niet met zwaare onkosten door menigvuldig Ryswerk, staande gehouden werdt. De Rivier heeft, voor dit Hoofd, eene diepte, die niet te peilen is. Toen dit Hoofd zig verder uitstrekte, was er een bekwaame Haven, van welker Overblyfselen de oudste Ingezetenen noch geheugen hebben.
De Stad is klein van Begrip, hoewel men wil dat zy in vroeger tyden veel grooter geweest is, ook heeft men op den afstand van twee Snaphaanschoten, by het graaven van Slooten, noch grondslagen van Huizen gevonden, die men wil in de Stad gestaan te hebben.
Hoewel de Huizen nu zeer oud en veelen derzelven vervallen zyn, blykt het, dat er in vroeger tyden eenigen al vry aanzienlyk moeten geweest zyn. Veele Wapenborden in de Kerk bewyzen insgelyks, dat Woudrichem door veele deftige luiden bewoond werdt.

In de Geschiedenissen des Lands ontmoet men niet veele Gevallen, die Woudrichem betreffen. Men verhaalt dat de Stad, in den jaare 1460, met Wallen omringd is (t). Het schynt echter zeker, dat men dit vroeger moet stellen. Want in den jaare 1405, geduurende den twist tusschen Hertog Willem van Beieren en Jan van Arkel, werdt de Stad, door Aanhangelingen van den laatsten verrast, geplonderd en verbrand. Mogelyk heeft men, na dien tyd, de Stad op nieuws bemuurd (v). Zy verkreeg in den jaare 1476, van Jakob, Graave van Hoorne, haaren Heere, verscheiden Voorrechten en Vryheeden, die in den jaare 1477, door Vrouw Maria van Bourgonje, als Graavinne van Holland, bevestigd werden (w).
Omtrent den jaare 1511, in den Oorlog tusschen de Gelderschen en Hollanders, hebben de eerstgemelden de Stad by verrassing ingenomen, en kreegen den Graave van Hoorne gevangen, die genoodzaakt werdt zig zelven en zyne Onderdaanen van Woudrichem, voor eene merkelyke somme Gelds, vry te koopen (x), waar na zy de (x) Stad verlieten.
In den jaare 1574, verviel zy in de Magt der Spanjaarden, doch sedert dien tyd is Woudrichem altyd in ongestoorde rust onder 't Gebied der Staaten van Holland gebleeven.
Weinige openbaare Gebouwen zyn 'er in Woudrichem. Het Stadhuis is niet zeer groot, en, volgens eene oude Aftekening der Stad, heeft 'er, in 't begin der voorige Eeuwe, een vierkant Toorentje opgestaan, dat nu lang en buiten geheugen van menschen verdweenen is.

De Regeering van Woudrichem bestaat in een BAJLUW, die hier doorgaans een substituit ter waarneminge, zo van dit Ampt, als van het Ampt van Dykgraave, aanstelt; wyders twee BURGEMEESTEREN en zeven SCHEPENEN, denwelken een zelfde Sekretaris toegevoegd is, die mede zynen Substituit heeft. De oudste der twee Regeerende Burgemeesteren bekleedt hier altyd het Ampt van Thesaurier. Noch zyn 'er negentien Oud-Raaden. De Verandering der Regeering, die eertyds des Zondags voor Palmzondag plagt te geschieden, heeft men nu jaarlyks op den 21 January. Voor de Verheffing van zyne Hoogheid tot Stadhouder, werdt er een benoeming door den Baljuw, aan Gekommitteerde Raaden overgeleverd, en hier uit de Verkiezing gedaan, maar in het tegenwoordige jaar 1748, is de Aanstelling der verwisselende Regenten door zyne Hoogheid geschied. Het getal der Schepenen was voorheen op negen Persoonen bepaald, waar van 'er vyf, gelyk de twee Burgemeesters te Woudrichem moesten woonen. De overigen werden uit Ingezetenen van 't Land van Altena verkooren, dewyl de Lyfstrafbaare zaaken van deezen Lande mede door de Vierschaar van Woudrichem moeten gevonnisd worden (y). De zeven Schepenen, die nu deeze Rechtbank uitmaaken, worden thans allen uit de Stad genomen en geenen van het Platte Land.
Onder de Voorrechten van Woudrichem is de vergunning van een Weekmarkt en drie vrye Jaarmarkten, waar van de eerste begint des Donderdags voor Palmzondag, de tweede op Sint Jakobs, en de derde op Sint Lukas Avond. Het Vrygeleide dier Markten duurt twee dagen voor en twee dagen na den eersten Marktdag. Uit de Handvest blykt dat hier een Paardenmarkt onder begreepen is. Deeze Markten zyn tegenwoordig van weinig belang. Oudtyds trok de Heer van Woudrichem of van den Lande van Altena de Tollen der Goederen, die op de Markten af en aangevoerd worden, waar van geen andere dan de Poorters van Woudrichem bevryd waren (z).
Wegens het Krygsbestier hebben wy onder Heusden gemeld. De Bezetting bestaat in een Kompagnie Invalides, die door de Provincie van Holland betaald worden.


Land van Altena
Men vindt, in de Oude Lyst der Goederen van Sint Martenskerke te Utrecht, van Haltna gemeld (g), en het schynt niet vreemd dat men hier door Altena verstaan moet: ook werdt het Halthena of Holthena genoemd (h), waar uit een gissing ontstaan is, of men des Naamsoorsprong niet zoude konnen ontleenen van de Hout- of Holtrykheid des Lands in zeer vroege tyden. Dit, hoewel zeer onzeker en duister, is egter niet al te ver gezogt. De Naam kan ook allereerst eigen geweest zyn aan het Kasteel, het welk in het Ambagt van Almkerk op een bekenden Heuvel gestaan heeft. Hier wil de oude Overlevering onder de Ingezetenen heenen, die gewoon zyn te verhaalen; dat de Heer van dit Land, wanneer hy het Kasteel op deezen Heuvel zou bouwen, geschil kreeg met zynen Broeder, die niet verre van hier insgelyks een Kasteel hadt, welke tot hem zou gezegt hebben , Niet Al te na, of Dat is Al te na, waar van dan het Kasteel en vervolgens het gantsche Land den Naam zou gekreegen hebben.

Altena was voormaals een gedeelte van het Oude Graafschap Teisterbant en een Leen van de Graaven van Kleef (i), tot dat Hertog Willem van Beieren, by genaamd de Goede, omtrent denjaare 1332, de Oppermagt en Leenheerschappy over dit Land gekogt heeft van Diedrik den IX, Graave van Kleef. Sedert dien tyd werdt het altoos als een Gedeelte van Holland aangemerkt.
Men houdt den Broeder van Robbert, eersten Heere van Heusden, gemeenlyk voor den Stamheer der Heeren van Altena (k). Zyn Naam was Diedrik (5), wiens Vader Robbert, Graave van Teisterbant, Zoon van Baldewyn den I, Graaf van Kleef zou geweest zyn. Deeze laatst genoemde overleedt in den jaare 822. De Heerlykheid van Altena bleef in deezen Stam tot den jaare 1155, wanneer zy door het Huwlyk eener Erfdochter met Willem, Heere van Hoorne, in 't Land van Luik, aan de Nakomelingen van deezen Heere overging (l), die, in den jaare 1450, tot Graaven verheeven werden. Zy bezaten de Heerlykheid tot in of omtrent denjaare 1450, wanneer Jan, Graaf van Hoorne zonder Kinderen overleedt.
Hierdoor kwamen het Graafschap van Hoorne en de Heerlykheid van Altena op Filips van Montmorancy, wiens Grootmoeder Maria van Hoorne de volle Nicht was van den laatsten Heere van Hoorne. Deeze Heer Filips was de beruchte Graaf van Hoorne, die door de dwinglandy des Hertogs van Alva, in den jaare 1568, te Brussel onthalsd werdt. Hy liet zyne Heerlykheid Altena aan zyne Weduwe Walburg van Nyenaare, die na de Gendsche Bevrediging, in den jaare 1576, weder in 't bezit van haaren Mans Goederen geraakte, en de Heerlykheid van Altena, niet lang voor den jaare 1600, en haaren dood, voor tnegentig duizend Guldens verkogt aan de Staaten van Holland, aan welker Domeinen dezelve sedert gebleeven is.

Weinige merkwaardige zaaken zyn, 'er ten aanzien van het Land van Altena in het algemeen, behalven de volgende, voorgevallen. Toen de Edelen, medepligtigen in den dood van Alyd van Poelgeest, Minnaaresse van Albrecht van Beieren, op het Slot van Altena geweeken waren, werdt het door dien Hertog, in den jaare 1393, belegerd, en na een hardnekkigen tegenstand aan hem overgegeven, waar na hy het zelve liet verwoesten (m).
In den jaare 1672, wanneer de Franschen Bommel en den Bommelerwaard in hadden, en de Steden Gorinchem en Woudrichem opeischten, werdt het Land van Altena gedeeltelyk onder water gezet om den Vyand af te keeren, en men liet het langen tyd blank leggen.
Gevoeliger was egter de ramp, die dit Land, benevens andere nabuurige Landstreeken heeft getroffen op het einde des jaars 1740; wanneer door harden Stormwind en zwaare Plasregens de Lek, Maas en Merwe, boven gewoonte, waren opgezwollen, en het Water met zoo veel kragt tegen de Dyken aanperste, dat er verscheiden voor bezweeken. Door de Inbreuk van den Maasdyk in het Land van Heusden by het Dorp Hedikhuizen, tusschen den 24 en 25 December, veranderde het Land van Altena in een woesten Plas, en het Water deedt ongemeene schade door het omverwerpen en wegspoelen van veele Huizen, Schuuren en Hooibergen, het verwoesten der Akkers, en het verdrinken van Beesten. De Ingezetenen hadden geenen anderen toevlugt dan de noch overeind staande Dyken en den Altenaschen Heuvel, waar op zy zig, in het guure Wintersaizoen, met de weinige geborgen Haave en Vee, in grooten kommer en deerlyke armoede, moesten behelpen (6). Op den Altenaschen Heuvel werden meer dan tweehonderd, zoo Koebeesten als Paarden geborgen en in 't leven gehouden. De gereedste verlichting bestondt in het maaken van Hulpgaten om het Water door de Bakkers Kille en in het Bergsche Veld of den Biesbosch te leiden, 't welk deeze Landstreek kragtig te baat kwam. Men trachtte wel spoedig het Gat by Hedikhuizen digt te krygen, maar 't gebrek van Hout en andere noodige Stofen, die, in den aanvoer uit Dordrecht en Rotterdam, veel tegenspoed hadden, was oorzaak dat men met het Werk niet kon aanvangen voor den 16 February des jaars 1741, hoewel men egter, tusschen den volgenden 1 en 2denMaart, den Dyk digt kreeg. Op den 29 April sloeg er echter een nieuwe ramp toe, dewyl het gemaakte Werk aan het Hulpgat, by Werkendam, dat wel beslaagen, maar niet geheel digt was, door een hoogen Vloed van Benedenwater wegspoelde; zoo dat de Landen, die reeds bezaaid, en alleen de troost voor den volgenden Zomer waaren, weder overstroomden, tot groote smarte voor den armen Landman. Het Land van Altena geraakte aldus in het midden van den Zomer noch niet geheel droog. In deezen nood, was men onmagtig om, zonder bystand van anderen, de schade eenigszins te boeten. Men wendde zig ten dien einde al vroeg aan het Kollegie van Gekommitteerde Raaden, die gereedlyk een Onderstand van twintigduizend Guldens inwilligden tot het koopen van Leeftogt voor de Behoeftigen en Voeder voor de Beesten. Naderhand hebben Gekommitteerde Raaden, in twee reizen noch eenendertigduizend Guldens toegestaan tot herstelling der Dyken.

De Regeering van den Lande van Altena heeft, ten aanzien van het Hooge Rechtsgebied of de Crimineele Vierschaar, gemeenschap met die der Stede Woudrichem, waar van wy in derzelver Beschryving zullen verslag doen. Ten aanzien van het Middelbaare en Laage Rechtsgebied of het Burgerlyk, heeft ieder Rechtbank in de Ambagten zynen byzonderen Schout, Sekretaris en Schepenen.
Het Bestier over de Dyken en Sluizen in den Lande van Altena wordt geoefend door twee Kollegien, als door DYKGRAAVE en HOOGDYKHEEMRAADEN van den OUDEN LANDE van ALTENA en DYKGRAAVE en HOOGDYKHEEMRAADEN van den NIEUWEN LANDE. Het KOLLEGIE van den OUDEN LANDE bestaat in den Dykgraave en zeven Hoogdykheemraaden. Drie derzelven worden, wegens de Regeering der Stad Woudrichem, en de vier overigen wegens het Platte Land, alleen voor twee jaaren , gemagtigd. In diervoegen nochtans, dat de Hoogdykheemraaden wegens Woudrichem, na verloop van de twee jaaren, alleen te gelyk afgaan, en drie nieuwe in hunne plaats verkooren worden; in plaats dat er van de vier wegens het Platte Land jaarlyks twee afgaan en twee Ouden aanblyven. Van ouds werden, volgens Handvest van Jakob, Graave van Hoorne, Heere van Altena, gegeven in den jaare 1476 , de Hoogdykheemraaden door de Geërfden verkooren, doch niemant mogt stem hebben, die minder dan zes Morgen Lands bezat (n). Sedert een geruimen tyd is de Verkiezing geschied door Gekommitteerde Raaden, doch behoort nu aan zyne Hoogheid, als Stadhouder der Provincie. Volgens Vaststelling in den jaare 1665, tusschen Rekenmeesters van de Graaflykheids Domeinen, moet de Dykgraaf ten minsten vyftien Morgen Lands of de waarde van agtduizend Guldens in deeze Bedyking bezitten. Hoogdykheemraaden moeten in dezelve tien Morgen Lands of de waarde van vyfduizend Guldens gegoed zyn. De Penningmeester wordt op den zelfden voet als Hoogdykheemraaden gerekend (o). De tegenwoordige Dykgraaf is de Heer Mr. GERARD HENRIK STORM, Heere van Hoogeveen, Raad en Schepen der Stad Gouda, wiens Ampt, in deezen, door een Substituit wordt waargenomen. De Penningmeester heeft mede een Substituit.
DYKGRAAF en HOOGDYKHEEMRAADEN van den NIEUWEN LANDE van ALTENA hebben alleen het Bestier en Opzigt over den Nieuwen Altenaschen Polder, een stuk Lands, dat buiten den ouden Ringdyk naar den kant van den Biesbosch of het Bergsche Veld is aangedykt. Dit Land strekt ten Oosten langs den gemelden ouden Zeedyk, nu doorgaans den Ippelschen Dyk geheeten, ten Zuiden tegens den Zuidhollandschen of Dussenschen Polder, ten Westen aan het Bergsche Veld, de Bakkers Kille, en den zogenaamden Karnemelks Polder, en ten Noorden tegens Werkendam en de Werken. Het is een vruchtbaare Landsdouw van allerlei Koren en Weiland, en werdt aangevangen te bedyke: in den jaare 1640. Volgens de Morgentalen der Dykpligtigen, bevat het 1369 Morgen, 148 Roeden Lands, waar van de Graaflykheid van Holland bezat 991 Morgen, 488 Roeden Lands, en aan de Geërfden 377 Morgen, 260 Roeden toekwam. De Graaflykheid hadt, uit hoofde der bezitting van haare Landen in deezen Polder, het Recht der aanstellinge van den DYKGRAAVE voor zyn leven, als mede van den Penningmeester, die insgelyks Hoogdykheemraad was, en noch van twee andere Hoogdykheemraaden, het zy voor één of twee jaaren, midsgaders van den Dykbode voor zyn gansche leven. De Geërfden verkooren de drie overige Heemraaden, mede voor één of twee jaaren. By den Verkoop der Landen van de Graaflykheid, in den jaare 1722, werdt onder de Voorwaarden vastgesteld, dat de Koopers voortaan by het openvallen der Ampten van Dykgraaf, Hoogdykheemraaden, Penningmeester en anderen, het Recht zouden hebben, 't welk hier omtrent door de Graaflykheid was geoeffend. De Nieuwe Ingelanden verkogten vervolgens het Ampt van Dykgraaf en ook de openvallende Ampten van Hoogdykheemraaden, die ter hunner begeving stonden, om ze door de Koopers, geduurende hun gantsche leven, te laaten bezitten. De Heer TJERK HANEDOES, Schepen der Stad Gorinchem, is DYKGRAAF van den Nieuwen Lande van Altena. Dykgraaf en Hoogdykheemraaden hebben aan den zogenaamden Nieuwen Dyk een Gemeenlands huis, in gemeenschap met die van den Zuidhollanschen of Dussenschen Polder. Door het Nieuwe land van Altena watert het gehele Oude Land uit, door middel van zekere Sluizen in den Ippelschen Dyk, die altyd open staan, en het NieuweLand ontlast zig van dit en zyn eigen Binnenwater, door drie groote Sluizen aan den Nieuwen Dyk n het Bergsche Veld (p).
Ten aanzien van de minder Heemschappen in den Lande van Altena, was by de bovengemelde Handvest van Graave Jakob van Hoorne vastgesteld, dat er in ieder Gerechtsban een Schout en vyf Heemraaden zouden zyn , die over de Erfscheidingen, ieder in hunnen Ban, Uitspraak zouden doen, en de Slooten, Dyken, Wateringen en wat dies meer is, volgens Keure van den Heere schouwen (q). Dit geschiedt tegenwoordig in ieder Gerechtsban door den Schout en zeven Schepenen. Over de drie Bannen of Polders, die onder de Stad Woudrichem behooren, doorgaans de Oude en Nieuwe Ban en Honswyk genaamd, zyn zeven Heemraaden, die Slykheemraadén geheeten en door den Baljuw aangesteld worden (r).

Het Land van Altena bevat, behalven de Stede Woudrichem, de volgende Ambagtsheerlykheden, met derzelver Dorpen en Gehuchten, die Middelbaar en Laag Rechtsgebied oefenen; als Sleewyk, Werken, Almkerk, Emmikhoven met Waardhuizen, Uitwyk, Op- en Neder-Andel, Gyzen en Ryswijk.



Deze website gebruikt cookies.